Misschien toch maar een kopje thee drinken?

In opinie door Thijl Sunier op 02-02-2015 | 09:59

Door: Thijl Sunier

Terwijl Europa op zijn kop stond na de aanslagen in Parijs was ik op werkbezoek in Indonesië. Ook daar was de aanslag voorpaginanieuws, maar de roering was niet te vergelijken met de storm die in Europa woedde. Toen ik terugkwam was het stof enigszins neergedaald en kon ik met enige distantie de commentaren tot mij nemen.

Na de verwarring, de boosheid, de kakofonie van berichten en de over elkaar buitelende meningen volgden de voorspelbare rituelen. Eerst de grote demonstratie in Parijs zonder een duidelijke agenda. Mensen komen bij elkaar om hun woede en verontwaardiging te uiten, vergelijkbaar met de Witte Mars in België in 1996 naar aanleiding van de zaak Dutroux, of de Lawaaibijeenkomst op de Dam na de moord op Theo van Gogh in 2004. Juist het open en algemene karakter van de bijeenkomst brengt veel mensen op de been. Dat is goed, maar er liepen ook een aantal regeringsleiders mee die met bedenkelijke politieke motieven naar Parijs waren gekomen om zich te positioneren in een internationaal diplomatiek krachtenveld.

Daarna volgden de commentaren in de kranten en tijdschriften en trok het leger van deskundigen langs de actualiteitsprogramma’s. Op Internet en op Twitter de gebruikelijke ranzige commentaren en de oorlogsverklaringen aan alle moslims. Anderzijds gelukkig ook veel tegengeluiden en een aantal gedegen analyses. Dan de grote eindfinale op 22 januari, een programma van de gezamenlijke omroepen met het thema ‘jouw vrijheid, mijn vrijheid’, waarin een keur van bn’ers en (weer) deskundigen aan het woord komt. Bas Heijne noemde dat in de NRC zo mooi de nationale gebedsmolen.

Of het nu gaat om de chocoladeletter-journalistiek van de Telegraaf of de genuanceerde berichtgeving in de NRC, al vrij snel ontwikkelde zich een consensus dat de aanslag op Charlie Hebdo een aanslag op het vrije woord is. De vrijheid van meningsuiting staat na de afschuwelijke aanslagen weer op eenzame hoogte in de berichtgeving en krijgt een welhaast sacrale status. Mij bekroop al snel een gevoel van déja-vu, maar meer nog was ik geschokt over oppervlakkigheid van het debat (enkele bekende uitzonderingen daargelaten), de neiging elkaar te overschreeuwen of te overtroeven met niets zeggende oneliners (de meest gehoorde op dit moment: ‘niet elke moslim is terrorist, maar elke terrorist is wel moslim’), en het volledig langs elkaar heen praten van de lange rij deskundigen. Ik moet na enkele weken constateren dat wat de analyses betreft we geen millimeter zijn opgeschoten. Niets nieuws onder de zon, geen poging een stap verder te komen. Je kunt de opeenvolging van gebeurtenissen na de aanslagen bijna naadloos vertalen naar de nadagen van de moord op Theo van Gogh tien jaar geleden. En helaas ook deze keer wordt de toch al broze relatie tussen moslims en niet-moslims weer op scherp gezet.

Het deskundigencircus
Maar betekent die consensus ook dat er overeenstemming bestaat over de implicaties van de aanslagen, de oorzaken, de gevolgen en de noodzakelijke stappen? Zeker niet. Achter de schijnbare nationale consensus gaat een zee van meningsverschillen schuil over oorzaken en gevolgen. Daaruit blijkt dat er eigenlijk helemaal geen overeenstemming bestaat over wat vrijheid van meningsuiting betekent. Vrijheid van meningsuiting wordt andermaal een stoplap om het eigen gelijk te presenteren. Net als bij eerdere gebeurtenissen met een grote maatschappelijke impact laten deskundigen van zich horen. Zij moeten de honger naar duiding bij het publiek stillen en dus komen zij met hun eigen verklaringen en interpretaties van de gebeurtenissen. Elk van die interpretaties heeft zijn eigen aanhangers, zijn eigen deskundigen met hun eigen theorieën en oplossingen, en hun eigen politieke lobby. Rond oorzaken, gevolgen en middelen vindt een rituele dans plaats zonder dat dit de discussie echter een stap verder brengt.

Ten eerste is daar het veiligheidsdiscours waarin vrijheid wordt opgevat als een vanzelfsprekend, maar niet nader gedefinieerd kenmerk van ‘onze’ samenleving. Die vrijheid wordt ‘van buiten’ bedreigd door een vaag gedefinieerd kwaad dat dient te worden bedwongen. Een aanslag op de vrijheid van meningsuiting is een aanslag op onze veiligheid. Het veiligheidsdiscours gaat over de internationale politieke situatie en de opstelling van Nederland in de bestrijding van Taliban, IS, of al-Qaida. Maar het gaat natuurlijk ook over jihadi’s van eigen bodem en Syrië-gangers. De commentaren en analyses gaan niet over de oorzaken van geweld en dreiging, noch over wat we nu eigenlijk moeten verstaan onder vrijheid van meningsuiting. Het gaat om de vraag hoe het gevaar te kunnen indammen. Het is de taal van de dijkbewaarder die waarschuwt voor het opkomend water. Als een groepje terroristen een aanval uitvoert op de redactie van een tijdschrift dan heeft het veiligheidssysteem gefaald. Het is kennelijk niet relevant om te begrijpen waarom zij die aanval uitvoeren.

De deskundigen die zich bezighouden met de internationale politieke situatie hameren op de noodzaak van effectieve bewapening, internationale militaire samenwerking en uitwisseling van logistieke informatie en benadrukken dat het allemaal nog meer en nog beter moet. Binnenlandse veiligheidsdiensten praten over de verbetering van informatiestromen en een effectievere controle op het doen en laten van bepaalde figuren en netwerken. Dick Schoof, de gewichtigdoenerige veldwachter Bromsnor van de terrorismebestrijding, leeft in een wereld van veiligheidsscenario’s, risicoberekeningen en inlichtingenmanagement. Voor hem en voor zijn baas minister Opstelten gaat het om de efficiency en effectiviteit van terreurbestrijding. De vrijheid van meningsuiting is vooral een kwestie van controle en effectief ingrijpen. Eigenlijk is het volkomen zinloos om deze deskundigen uit te nodigen voor een interview want het standaard antwoord is dat gezien de veiligheidssituatie niets gezegd kan worden over de noodzakelijke maatregelen. Over de ‘collateral damage’ die de securitisering van de samenleving met zich meebrengt en wat dat betekent voor diezelfde vrijheid van meningsuiting, vernemen we niets van deze terrorismebestrijders.

Het veiligheidsdenken wordt maatschappelijk en politiek gevoed door het islamiseringsdiscours. De aanslagen zouden een direct uitvloeisel zijn van islamisering van ‘onze’ samenleving. Hier trekt weer een heel andere stoet van deskundigen voorbij. Wat islamisering nu eigenlijk precies betekent, en wat het probleem is vernemen we niet, maar duidelijk is wel dat het gaat over de veronderstelling dat de aanwezigheid en zichtbaarheid, de aanhang, en de invloed van de islam in Europa toeneemt. Zo wordt elke nieuwbouwmoskee al snel een teken van (ongewenste) islamisering. De angst voor die vermeende islamisering is niet op feiten gebaseerd, maar op emoties en veel ‘fact-free politics’. Het vormt een belangrijke voedingsbodem voor de polarisering van het maatschappelijk debat. Islamisering appelleert aan een gevoel dat we de greep op de zaken dreigen kwijt te raken.

Het aantal moslims in Europa is al jaren stabiel en neemt zelfs af. Voor een groeiend deel van de mensen met een islamitische achtergrond neemt het belang van de islam af en er zijn ook geen aanwijzingen dat het aantal moslims met radicale opvattingen toeneemt. Wat wel is toegenomen steeds nadat er een aanslag op Europese bodem werd gepleegd is de perceptie dat radicale opvattingen terrein winnen. Dit dus in weerwil van de feiten. Het predicaat radicaal heeft zo in betrekkelijk korte tijd een bedenkelijke betekenis gekregen en is net als vrijheid van meningsuiting een stoplap voor alles wat ‘niet deugt en gevaarlijk is’. In de jaren negentig noemde Tony Blair zijn partij nog het ‘radicale midden’ en nog maar een paar jaar geleden nam het CDA dat over. Dat zou nu waarschijnlijk niet meer uit de kast getrokken worden.

Oorlogshitsers
Het sterk toegenomen gebruik van sociale en andere media heeft er mede toe geleid dat gebeurtenissen en opvattingen steeds indringender bij mensen binnenkomen. Bij een aanslag zoals die in Parijs spinnen vooral diegenen garen die gebaat zijn bij verdere polarisatie en maatschappelijke spanning om daarmee hun achterban te verstevigen. Aan de ene kant zijn dat natuurlijk de desperado’s zelf die dergelijke aanslagen plegen en de woordvoerders en ideologen daarachter. Hoe sterker de anti-islam gevoelens in Europa zijn, hoe meer zij zich kunnen profileren als de ware bestrijders van die ‘verdorven wereld’. Zij doen dat via moderne media op een wereldschaal in een bizarre combinatie van het publiekelijk uitvoeren van terreurdaden, welhaast als theateropvoering, en het presenteren van romantische beelden over een ideale maatschappij. De talloze IS filmpjes die op Internet te vinden zijn brengen dit scherp in beeld. De publiekelijke onthoofdingen door IS zijn in eerste instantie bedoeld voor het schokeffect en de media-impact, maar zijn die gruwelijker dan de onthoofdingen in Saoedi-Arabië waar dezer dagen westerse regeringsleiders hun opwachting maken na het overlijden van hun bondgenoot koning Abdullah?

Aan de andere kant zijn aanslagen als die in Parijs natuurlijk een geschenk uit de hemel voor xenofobe en islamofobe politici en bewegingen in Europa. Pegida in Duitsland en de PVV in Nederland krijgen ‘hun bewijzen’ dat de islam niet deugt als het ware op een presenteerblaadje aangereikt. De angst die de aanslagen bij de bevolking teweegbrengt wordt gebruikt om te waarschuwen voor de geleidelijke islamisering van de maatschappij en de vermeende aanwas van de moslimbevolking. De watermetafoor werd enige jaren geleden al door Wilders geformuleerd toen hij het over een ‘tsunami van moslims’ had en in november vorig jaar kwam PVV-kamerlid de Graaf met zijn abjecte stelling dat de Nederlandse eigenheid door immigratie en ‘de baarmoeder’ om zeep wordt geholpen.

Maar het is zeker niet uitsluitend het handelsmerk van islamofobe extreem rechtse politici en bloggers die haat prediken en de oorlog verklaren aan alle moslims. Het idee dat het aantal moslims toeneemt, evenals de zichtbare uitingen van de aanwezigheid van de islam en dat deze groei gepaard gaat met toenemende intolerantie jegens andersdenkenden is wijdverbreid. Radicalisering wordt dan uitgelegd als een simpel gevolg van de letterlijke uitvoering van wat in de islamitische bronnen staat en wat door religieuze gezagsdragers wordt uitgedragen. Voor aanhangers van dit soort opvattingen is het, overigens problematische onderscheid tussen ‘gematigde moslims’ en ‘radicale moslims’ niet relevant. Alle moslims zijn in hun ogen potentiele radicalen.

Al sinds enige tijd is ‘radicalisering’ als apart onderzoeksterrein ‘hot’ en komen de radicaliseringsdeskundigen als paddenstoelen uit de grond. Er zijn leerstoelen, onderzoekscentra, en opleidingsprogramma’s die zich op deze materie storten. Er gaat veel geld om in deze tak van sport. In de nasleep van de aanslagen in Parijs komen we in de media ook allerlei ervaringsdeskundigen tegen, variërend van (ex)moslims tot onderwijzers en buurtwerkers. Het ‘herkennen’ van radicalisering in de klas en op straat heeft sinds de moord op Theo van Gogh een ware vlucht genomen, een terrein waarop deze ervaringsdeskundigen zich expert achten. Nu is het op zichzelf niet verkeerd dat mensen die met jonge moslims werken en zicht hebben voor signalen en veranderingen in gedrag zich daarover uitspreken, maar niet zelden gaat dit herkennen gepaard met een schrijnend gebrek aan achtergrondkennis. Allerlei uiterlijke tekenen zoals bepaalde kleding worden onbekommerd aangewezen als indicatoren voor radicalisering. Uit reacties van moslims blijkt steeds opnieuw dat deze potsierlijke ‘diagnose methodes’ alleen maar leiden tot nog meer achterdocht en uitsluiting in de dagelijkse omgang met niet-moslims. We kijken er niet meer van op dat moslims iedere dag te maken krijgen met scheldpartijen en andere onaangename confrontaties. Het in de brand steken van moskeeën wordt steeds gewoner en steeds frequenter. Maar ach…’ze moeten niet zeuren, eigen schuld dikke bult.’

Het problematische van deze manier van kijken is dat het moslims collectief karikaturiseert, soms op kwaadaardige wijze door hen allemaal over een kam te scheren en te stellen dat met de aanslagen het ware gezicht van de islam wordt getoond zoals islamofobe politici dat plegen te doen, maar veelal ook door met een volstrekt gebrek aan kennis stigmatiserende uitspraken over de islam te doen. We krijgen dan geleerd aandoende indelingen in type moslims voorgeschoteld die geen enkele verklarende waarde hebben, maar die mensen reduceert tot passieve dragers van religieuze kenmerken. Inzicht in motieven, overwegingen en reflecties van betrokkenen zelf is kennelijk niet relevant.

De terrorist als psychiatrische patiënt
Een ander type verklaring dat we de afgelopen weken heel veel konden optekenen probeert juist alle verwijzing naar de rol van religieus gedachtengoed ondergeschikt te maken aan andere factoren. Er bestaat een soort ‘Verelendungs-theorie’ waarin radicalisering wordt beschouwd als een existentiële crisis. Deze theorie kent vele variaties zoals we de afgelopen weken hebben kunnen vaststellen. We zien een verwijzing naar armoede, ellende, ongelijkheid en uitsluiting, en als gevolg daarvan frustratie. Soms zijn verklaringen meer psychologisch van aard en wordt radicalisering beschouwd als een ‘mental disorder, maar even zo vaak wordt radicalisering gezien als het gevolg van mislukte integratie. Vroeger, toen integratie nog stond voor gelijke en gelijkwaardige deelname aan de samenleving, zou dit nog plausibel hebben geklonken. Tegenwoordig staat integratie echter steeds meer gelijk aan culturele assimilatie en kunnen we de minister van Sociale Zaken keer op keer horen benadrukken dat jonge moslims moet worden geleerd hoe ‘onze’ maatschappij in elkaar zit en welke grondwaarden hier gelden. Zou dat enige indruk maken op jonge moslims, geboren en getogen in Nederland, die als gevolg van terreurdaden en hun nasleep dagelijks moeten ervaren hoe groot de kloof is tussen moslims en niet-moslims? Ik betwijfel dat.

De pedagogische ondertoon in het integratievertoog herbergt nog een andere vooronderstelling namelijk dat deze jonge moslims helemaal niet voor de vrijheid van meningsuiting zijn, maar dat ze uiteindelijk wel zullen inzien dat ‘onze’ waarden superieur zijn aan hun religieuze wereldbeeld. Dat is nogal wat. Kennelijk is een fundamenteel ander wereldbeeld in dit geval niet zomaar een andere opvatting over het goede leven, maar een opvatting die voortkomt uit een fundamenteel gebrek aan inzicht in onderliggende universeel geachte principes. Een aantal commentatoren heeft de afgelopen weken gewezen op de dubbele moraal waarmee de vrijheid van meningsuiting wordt verdedigd. Ongewenste meningen en opvattingen kunnen rekenen op een flinke weerstand, niet zozeer omdat de vrijheid van mening ontzegd wordt, maar omdat ‘onze waarden’ kennelijk buiten kijf staan. Vrijheid van meningsuiting is okay maar dan wel op ‘onze’ voorwaarden.

‘Why do they hate us?’ vroeg de toenmalige Amerikaanse president Bush tijdens een toespraak in het Congres daags na de aanslagen op de Twin-Towers in New York in 2001. Hij verwoordde daarmee waarschijnlijk een gevoel van veel Amerikanen, maar toonde ook een totaal gebrek aan inzicht in de wereldverhoudingen van die tijd. Dat zien we nu weer. In de tijd dat hier in Europa een aanslag plaatsvond waarbij 12 mensen omkwamen, en kort erna nog een keer vier, vielen er in Noord-Nigeria waarschijnlijk 2000 doden bij een aanval door Boko Haram en in december werden bij een aanval van de Taliban in Pakistan op een school 140 kinderen gedood. Waarom krijgen dat soort gebeurtenissen veel minder aandacht in de media en waarom horen we zo weinig dat verreweg de meeste slachtoffers van islamitisch geïnspireerde terreur zelf moslim zijn? Dat kan niet alleen verklaard worden door de veelgehoorde stelling dat wat ver weg en uit het zicht van de media plaatsvindt, niet invoelbaar is. Het verschil zit hem ook in het verschil in inzet tussen de gebeurtenissen: wat is voor wie belangrijk en waarom? Hier gaapt een tamelijk brede kloof en hier spelen machtsverschillen een cruciale rol.

Het is zonder meer belangrijk om rekening te houden met bepaalde gevoelens van buitensluiting en frustratie en aandacht te vragen voor de erbarmelijke omstandigheden waarin moslims zich soms bevinden, maar er schuilt ook een gevaar in een degelijke voorstelling van zaken. Door bepaalde (religieuze) idealen, hoe abject we die ook mogen vinden, af te doen als pathologische uitingen en te doen alsof radicale opvattingen vooral een probleem tussen de oren is, ontzeggen we deze moslims bij voorbaat eigen meningsvorming. Ze worden niet serieus genomen en juist dat is ontzettend belangrijk. Bijna veertig jaar geleden vonden in Nederland een aantal treinkapingen en gijzelingen plaats door Molukse activisten. Toen al zagen we een schrijnend gebrek aan aandacht van de kant van de overheid en de media voor de politieke achtergronden van die terreurdaden en werden hun acties al snel voorgesteld als een integratieprobleem. Ook na de terreurdaad van Anders Breivik in Noorwegen werd hij voorgesteld als een eenling die de weg was kwijtgeraakt. Er was nauwelijks aandacht voor het feit dat zijn daad een rechtstreeks gevolg was van de groeiende xenofobie in Europa.

‘Not in my name’
Blijft over de prangende vraag wie hier namens wie spreekt als terroristen in naam van de islam dood en verderf zaaien. Toen enige maanden geleden IS aan zijn opmars begon werd door veel mensen de vraag gesteld waarom ‘de moslims’ niet openlijk protesteren tegen de gruweldaden van de beweging. Die vraag werd ook nu weer door een aantal commentatoren gesteld. Zo meende Vuijsje in de NRC dat moslims een verantwoordelijkheid hebben. Hoezo verantwoordelijkheid? Voor wie of voor wat? En wie zijn eigenlijk ‘de moslims’? Kennelijk is die schuldvraag zo prangend en ook zo politiek comfortabel dat wordt genegeerd dat moslim woordvoerders, imams en andere vertegenwoordigers van islamitische gemeenschappen massaal hebben geprotesteerd tegen de aanslagen en dat is niet de eerste keer. Moslims in Europa worden nog steeds uitgesloten van ‘wij’. ‘Wij’ zijn de samenleving, moslims ‘de rest’. Een staaltje van selectieve perceptie. Natuurlijk moet je je als moslims verhouden tot de claims die terroristen maken in naam van hun religie, maar dat is wat anders dan met een generaliserende pennenstreek alle moslims maar over een kam scheren en aan de andere kant van de lijn zetten. Dat is niet alleen dom, dat is volkomen onterecht.

Ik verwacht dat in de nabije toekomst de vraag wie het recht en gezag heeft namens de islam spreken steeds belangrijker wordt. Dat zal een steeds belangrijker criterium worden in discussies zoals die nu plaatsvinden. Naarmate moslims in Europa mondiger worden en het relatieve aandeel onder hen van geboren en getogen Europeanen groter wordt, zullen zij niet alleen vaker het recht opeisen mee te bepalen hoe de samenleving eruit ziet, maar ook eisen dat de toenemende diversiteit onder moslims erkend moet worden. Dat zal ook van invloed zijn op de vraag hoe en onder welke voorwaarden vrijheid van meningsuiting gestalte krijgt. Dat zal voor het islamofobe volksdeel geen indruk maken, maar het is wel een kwestie die zich steeds meer zal aandienen.

Hoe nu verder? Laten we eens stoppen met die overdaad aan theorieën en verklaringen en laten we eens kijken wat er wel gebeurt in plaats van altijd maar weer benadrukken dat het allemaal steeds slechter wordt. Terwijl een paar desperado’s de redactie van een tijdschrift uitmoorden, vinden er tegelijk allerlei initiatieven plaats onder moslims om te zien hoe te voorkomen dat jongeren zich laten leiden door mooie praatjes van ronselaars. Op de korte termijn zullen de aanslagen de klok helaas weer terugzetten, maar op de langere termijn zullen we toch met elkaar moeten omgaan. We moeten beseffen dat we leven een toestand van ‘deep pluralism’ zoals de antropoloog Hefner het formuleert. Misschien is het helemaal niet gek om maar weer eens een kopje thee met elkaar te gaan drinken. Dat is niet naïef, dat is pure noodzaak.

Thijl Sunier is hoogleraar Islam in Europese samenlevingen aan de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de VU. Meer van en over Thijl op Republiek Allochtonië vindt u hier


Dit blog is een bewerking van een lezing die hij donderdag 29 januari hield voor de Studenten Unie Nederland aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. De bijdrage van Roemer van Oordt op die avond vindt u hier


Meer over en naar aanleiding van de aanslagen in Parijs: hier


Meer over islamofobie en moslimhaat: hier en over islamisering: hier


Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook.  


Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook! 



 


Meer over aanslagen, charlie hebdo, deskundigen, is, islam, islamisering, islamofobie, moslimhaat, moslims, pegida, pvv, radicalisering, terreurdaden, thijl sunier, veiligheid.

Delen:

Reageer




Reacties


remco ensel - 06/02/2015 15:30

Beste Thijl,
Ik waardeer het zeer dat je hebt willen reageren op mijn snel geschreven epistel.
Dit zijn mijn bezwaren:
1. De toonzetting
- De suggestie dat jij als enige met distantie de schade opneemt van de storm terwijl jij volgens mij er net zo midden in staat (of niet, dat is ieders inschatting).
- Die vermeende distantie verleid je tot boude, zeer diskwalificerende uitspraken over de aard en het niveau van het debat:
‘kakofonie van berichten en de over elkaar buitelende meningen’, ‘voorspelbare rituelen’, ‘leger van deskundigen’, ‘ranzige commentaren’, ‘oorlogsverklaringen aan alle moslims’, ‘chocoladeletter-journalistiek’ van de Telegraaf tegenover de ‘genuanceerde berichtgeving in de NRC’, ‘oppervlakkigheid van het debat’, ‘deskundigencircus’,’ de neiging elkaar te overschreeuwen’, ‘niets zeggende oneliners’, ‘de lange rij deskundigen’, ‘Niets nieuws onder de zon, geen poging een stap verder te komen’, ‘volledig langs elkaar heen praten’, ‘een rituele dans’, ‘emoties’ en ‘fact-free politics’. Radicaliseringsdeskundigen vormen een ‘tak van sport’, maar ook ‘ervaringsdeskundigen’ kunnen vanwege hun ‘schrijnend gebrek aan achtergrondkennis’ het niet goed doen. En dan zijn er nog andere ‘geleerd aandoende’ benaderingen (i.c. indelingen) van moslims.
Kortom: het is waardeloos of het deugt niet (op niet enkele, helaas niet nader benoemde, beschouwingen na ).
2. De focus
Jouw beschouwing heeft betrekking op de reacties door politici, (schrijvende) burgers en ‘deskundigen’ op de meervoudige aanslagen. Ook ik ben het niet eens met alle analyses en ook ik erger mij soms aan de ondeskundigheid van anderen en aan mijn eigen gebrek aan kennis en kortzichtigheid. Daarom gaan we met elkaar in gesprek en debat. Jij lijkt een analyse van die aanslagen bij voorbaat niet bijster interessant te vinden. Waarom we dan wel meer aandacht hadden moeten besteden (nb volgens mij was die aandacht er wel degelijk) aan het geweld van Boko Haram en met betrekking tot de school in Pakistan is mij een raadsel. Zeker omdat dit vanuit jouw analyse alleen maar koren op de molen is van de ‘islamofoben’ in deze wereld. Ik begrijp wel waarom Parijzenaars de straat opgaan als er in hun stad journalisten, agenten en Joden worden vermoord. Ik begrijp niet waarom de mensen die jij desperado’s noemt, dat hebben gedaan. Mijn behoefte aan een uitleg zie ik graag ‘bevredigd’.
3. De analyse
Ook ik heb antropologie gestuurd en de handboeken doorgenomen over ‘de islam’ en alle vanzelfsprekende noties over diversiteit, ‘lokale islam,’ het verzet tegen essentialisering, et cetera. Tegelijk heb ik mij altijd verbaasd over hoe dicht er in dergelijke studies (zie het klassieke Huis van de Islam, red. Henk Driessen en andere Nederlandse studies) tegen allerlei ideële overall noties over ‘gelijkheid’ en ‘de gemeenschap’ wordt aangezeten en hoe weinig aandacht er is voor religie als grondstof voor de minder gezellige aspecten van het mens-zijn: maatschappelijke ongelijkheid, uitsluiting, geweldpleging. Het zal wellicht verklaren hoe weinig die antropologen de afgelopen jaren zichtbaar zijn en hoe we dus opgescheept zitten met ‘essentialistische’ Arabisten/islamologen. Daar is mijn oproep om uit je comfortzone te komen op gestoeld. Probeer inderdaad dat wat er gebeurt en gebeurd is te benoemen en te duiden (nl. door religie gelegitimeerd - o.a. antisemitisch- geweld; dat is dus wat anders dan ‘herleidbaar tot islamitische bronnen’). Ik ben niet overtuigd – na de aanslagen van januari en van eerder en elders – door een analyse die iedereen of als ondeskundig, smijtend met ‘snelle theorietjes’, of als islamofoob, wegzet.

Thijl Sunier - 06/02/2015 08:52

Remco Ensel, is het niet eens met mijn analyse van de gebeurtenissen na de aanslagen in Parijs. Zoveel is duidelijk, maar waarin wij dan van mening verschillen blijft voor mij duister. Ik mag toch aannemen dat we het niet oneens zijn over de stelling dat de aanslagen niet zomaar kunnen worden herleid tot islamitische bronnen. Zijn we het dan oneens over wat urgenter is? Vind ik de ophef over de aanslagen en de effecten die dat heeft op moslims die part noch deel hebben aan deze terreur urgenter dan het zoeken naar oorzaken van de terreur zoals Ensel suggereert? Waar baseert hij dat op? Omdat mijn stuk over dat eerste gaat? Een merkwaardige conclusie.

Mogen we het niet hebben over het negatieve effect dat de aanslagen indirect op moslims hebben? Wat voor morele vooronderstellingen zitten achter zo’n stelling? Natuurlijk ben ik van mening dat het zoeken naar de oorzaken van geweld en terreur ontzettend belangrijk is. Als Ensel mijn stuk goed had gelezen dan had hij kunnen weten dat mijn kritiek zich richt op het leger ‘deskundigen’ dat zich na de aanslagen in de media verdringt en die de grote behoefte aan duiding bij het publiek moeten bevredigen. Veel van die deskundigen komen met simpele verklaringen waarin de rol van religie ofwel onterecht uitvergroot wordt, of juist genegeerd. Inderdaad vind ik veel van die zogenaamde verklaringen gemakzuchtig, maar zeker ook onwetenschappelijk.

Ik stoor me aan de gewichtigdoenerij van sommige deskundigen die menen de wijsheid in pacht te hebben. Daar ging mijn stuk over. En inderdaad ik maak me druk om de toenemende moslimhaat in Europa en inderdaad ik ben van mening dat er allerlei bedenkelijke partijen garen spinnen bij die moslimhaat. Nogmaals, wat is er mis om dat vast te stellen?

Dan het impliciete verwijt van Ensel dat ik me als ‘deskundige’ op het gebied van islam in Europa niet bezighoudt met de oorzaken van islamitische geïnspireerd geweld. Beste Remco Ensel, ik doe niet anders. Alleen ik doe dat niet door snelle theorietjes op tafel te smijten, maar door onderzoek en door te luisteren naar wat moslims beweegt. Ik doe ook niet mee met de neiging om op steeds luidere toon te roepen hoe verwerpelijk IS-executies, aanslagen en andere vormen van verbaal en lijfelijk geweld zijn.

Speel ik daarmee de daders in de kaart? Wat een onzin! Juist om het hardst roepen hoe verschrikkelijk het allemaal is drijft de zaak verder op de spits en brengt ons geen stap verder. Vandaar mijn oproep om moslims in deze tijden als bondgenoten te beschouwen, en niet altijd maar weer terecht te wijzen. Ik heb gezegd dat de diversiteit onder moslims steeds meer toeneemt. Het is inderdaad zo makkelijk om dat gewoon van tafel te vegen.

Remco Ensel - 04/02/2015 19:04

Kanttekeningen bij de observaties van Tijl Sunier
Remco Ensel, 4 februari 2014

Er zijn twee verschijnselen die om een verklaring vragen. De eerste betreffen de aanslagen in Parijs, die op de redactieleden van Charlie Hebdo, die op de klanten van de koshere supermarkt en die op agenten. De tweede, en die lijk jij, Tijl, urgenter te vinden, betreft de grote aandacht en ophef over die aanslagen zoals dat tot uitdrukking is gekomen in de demonstraties en het debat over de vrijheid van meningsuiting (en in mindere mate over het antisemitsme). Je stuk gaat over de ongelijke aandacht voor de aanslagen vergeleken met andere gewelddaden in de wereld (waarbij je overigens zelf kiest voor geweld met een islamistische connotatie) en over de backlash op "de mensen die zij (en zichzelf) moslims noemen" (om Robert Vuijsje te parafraseren). Wat mij bevreemdt is, behalve het neerleggen van de urgentie bij die tweede reeks verschijnselen en behalve dat nergens een verklaring wordt gegeven voor het eerste verschijnsel (de aanslagen), dat ook die tweede reeks verschijnselen niet verklaard worden. Het stuk opent met de stelling dat je een gedistantieerde blik hebt, door de afstand in tijd en ruimte, maar dat vertaalt zich vooral in een reeks diskwalificaties aan het adres van wetenschappers, politici en andere commentatoren onder wie de talrijke burgers die zich hebben geroerd ("oppervlakkigheid van het debat" is nog de meest milde omschrijving). Dergelijke diskwalificaties lijken mij onnodig, zo onnodig dat jij ze ook niet gebruikt om desperado's - ja, dat is jouw analyse van de aanslagplegers, daar hebben we dus toch een verklaring - te typeren. In dat verband meen je dat Breikvik als eenling werd gezien. En dat is ten onrechte, zo lijk je te zeggen, want hij was toch xenofoob. Nou, werd volgens mij Breivik onmiddellijk gekoppeld aan een ideologie en aan een club die een ideologie aanhing (zie Sindre Bangstads studie) en kan er bovendien nog op worden gewezen dat Breivik dan wel xenofoob was, hij niettemin sociaal democraten vermoordde en geen "moslims". Maar belangrijker: waarom zo benauwd om de activiteiten van de daders in Parijs te linken aan ideologische opvattingen (zie je dat niet als je taak als hoogleraar Islam?) maar valt je dat met Breivik makkelijker?
En is dat "kwaad" zo vaag gedefinieerd? Volgens mij vragen mensen zich af wat die "desperado's" beweegt en kun je het als je taak opvatten hen een mogelijke verklaring te bieden. Ik zie geen islamisering van de samenleving, maar als je schrijft: "De angst voor die vermeende islamisering is niet op feiten gebaseerd, maar op emoties en veel ‘fact-free politics’", dan is mijn antwoord: en hoe zit het met het met geweld opleggen van een cartoonnorm, hoe zit zit het met het doden van mensen vanwege hun joods zijn? Hoe fact free zijn de zorgen van mensen? Kom eens uit je comfort zone van voorspelbare kritiek op pogingen van heel veel mensen een uitermate schokkende gebeurtenis in hun nabijheid te duiden. Je schrijft dat de aanslagen een geschenk uit de hemel zijn voor islamofoben. Je schrijft: "Hoe sterker de anti-islam gevoelens in Europa zijn, hoe meer zij zich kunnen profileren als de ware bestrijders van die ‘verdorven wereld’." Het draait dus vanuit beide zijden islamofobie. Daar ligt jouw Kwaad van vandaag de dag.


Wouter ter Heide. - 03/02/2015 14:45

Ben het met Thijl Sunier eens dat het misschien helemaal niet gek is om met elkaar weer eens een kopje thee te gaan drinken. Sterker, volgens mij ligt in die gemoedelijke openbare theesessie de oplossing besloten. Om die aan het licht te brengen zal wel klare thee geschonken moeten worden, betreffende de kern van de problematiek: “De politieke vertaling van de vrijheid van meningsuiting”. De opvatting dat de moslimwereld - in tegenstelling tot de verlichte westerse - daar nog(!) niet klaar voor is, berust op een gebrek aan inzicht. Daardoor ontgaat het ons dat onze zogenaamd 'vrije samenleving', zwaar gebukt gaat onder het juk van de vrijheid van meningsuiting, die een welhaast sacrale status geniet.
Ten onrechte, omdat het als democratisch hoogstandje aangeprezen vrije woord, de broodnodige eenheid van beleid (waar toch het begrip democratie voor staat) blokkeert, waardoor de problemen structureel worden en daarmee onoplosbaar. De onoplosbaarheid die in ons verdeeldheid zaaiende partijpolitieke bestel, als politiek eindproduct van de vrijheid van meningsuiting, zit ingebakken. Vandaar dat voor het adequaat aanpakken van de problemen, toch het ultieme algemeen belang, de stembus geen uitkomst biedt. Daarvoor zal ons partijpolitieke bestel in alle openheid breed maatschappelijk ter discussie gesteld moeten worden. Voor de media, zowel die van linkse als van rechtse signatuur, zie ik hier een gezamenlijke taak weggelegd. Het oppikken daarvan zal zonneklaar laten zien dat we niet langer in een partij- maar in een mediatijdperk leven, met een daarbij horende politieke tijdgeest waarin geen plaats is voor oncontroleerbaar geheimzinnig achterkamertjesgedoe. Het gangbare partijpolitieke handjeklap beleid waarmee het kind (het algemeen belang) dagelijks met het Haagsche badwater (de zinloze strijd om de partijpolitieke macht) wordt weggespoeld. En dat nog juridisch gesanctioneerd ook. Hoezo Democratische Rechtsstaat?

Berty Terra - 03/02/2015 11:21

De bijdrage van Thijl Sunier aan het debat is voor mij zeer verhelderend. Ik kan me vinden in zijn beschrijving en redenering en herken de hierin beschreven processen. Het doet mij goed dit hier te mogen lezen. Het geeft mij hoop dat er mensen zijn en blijven die hier doordacht en genuanceerd en met een waarachtige liefde voor alle Nederlanders over kan schrijven. De overdaad aan oppervlakkige analyses en verklaringen zonder reflectie op de processen waar wij zelf aan bijdragen en dus ook verantwoordelijkheid voor dragen, raakt mij zeer. Ik geloof zeer in de wij-samenleving en samen zoeken naar mogelijkheden van respect en elkaar willen en kunnen vinden in ieders eigenheid en mens-zijn als Nederlander. Ik hoop van harte dat heel veel mensen deze bijdrage lezen en dat dit bijdraagt aan onze moed om voor de wij-samenleving te gaan staan en daarnaar handelen