Bestrijden moslimextremisme vooral taak overheid

In opinie door Roemer van Oordt op 28-10-2012 | 12:42

Tekst: Roemer van Oordt

CDA’er en belijdend moslim Ibrahim Wijbenga stelde gisteren op dit weblog een relevant maatschappelijk probleem aan de orde. Hij wijst in zijn bijdrage terecht op de blijvende schadelijke effecten van het gedrag van een beperkt aantal radical(is)e(rende) moslimjongeren dat de Nederlandse samenleving in al haar facetten afwijst en ook geweld niet lijkt te schuwen. In politiek en beleid dreigt de urgentie van het vroegtijdig tackelen van die effecten, acht jaar na de moord op Theo van Gogh, teveel op de achtergrond te raken.

Hoewel het straathoekwerkende raadslid de trend van verstoring en intimidatie die deze harde kern zet te ver doortrekt door die in bijna iedere moskee te situeren, manifesteert hun gedachtegoed zich wél steeds vaker in de publieke ruimte.

Volgens Wijbenga wordt het de hoogste tijd dat de moslimgemeenschap tegen deze confronterende extremisten optreedt. Het siert hem dat hij eigen verantwoordelijkheid van zijn medemoslims verlangt, maar de zelfstandige mogelijkheden die hun sociale structuren bieden zijn beperkt; soms uit onwil, meestal uit onmacht. Minstens zo belangrijk is daarom te bezien welke taak hier is weggelegd voor de overheid, niet alleen repressief maar vooral ook preventief.

Preventie

Met het uitblijven van gewelddadige acties na die van Mohammed Bouyeri in 2004, is de preventieve aanpak voor het bestrijden van moslimsextremisme op landelijk en grootstedelijk niveau grotendeels ‘weggeheroriënteerd’ (in beleidstermen ‘aangepast aan de huidige dreiging’). Zo liep het actieplan dat gericht was op het voortijdig tegengaan van radicalisering en polarisatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2011 af. Ook in Amsterdam wordt na de herbezinning op het beleid van voormalig burgemeester Job Cohen inmiddels steeds minder geïnvesteerd in het wegnemen van de voedingsbodem voor processen van radicalisering. Alleen ‘daadwerkelijk geconstateerde risico's’ worden aangepakt.

In de keuze voor die beleidsverandering zit volgens mij een cruciale denkfout. Het was bijvoorbeeld juist de continue aandacht en de preventieve - niet altijd zichtbare - inzet onder Cohen die de invloed van radicale en extremistische elementen uit moslimhoek in Amsterdam aantoonbaar beperkte.

Proces

Werken aan het wegnemen van de voedingsbodem bij jongeren die door uiteenlopende redenen vatbaar zijn voor extremistisch gedachtegoed, vraagt om gerichte en doorlopende interventie op plekken waar die jongeren komen. Vooral in het onderwijs valt daar nog een wereld te winnen, maar ook in het jongerenwerk en bij hulpverlenende instanties blijft het vooralsnog te vaak bij eenmalige, inmiddels wegbezuinigde projecten in plaats van procesbeïnvloeding op lange termijn.

Vacuüm

In dat vacuüm is er ruimte genoeg voor missiewerk van bewegingen als Hizb ut-Tahrir Nederland en Sharia4Holland. De islamistisch georiënteerde Hizb ut-Tahrir probeert vooral jongeren te werven die zich gediscrimineerd en buitengesloten voelen en die weinig tot geen kennis van de islam hebben. Meer in de openheid en publiciteit treedt Sharia4Holland. Deze organisatie richt zich meer op ongeorganiseerde jonge moslims én (nog) niet-moslims die geen aansluiting hebben bij hun omgeving, maar wel open staan voor meer radicale of zelfs extremistische interpretaties van de islam door het frequenteren van de volledig van de buitenwereld afgeschermde (jihadistische) internetfora.

Het gedachtegoed dat beide bewegingen uitdragen wordt steeds radicaler en exclusiever van toon: (nog) meer wij tegen zij en sterk leunend op een felle afwijzing van de westerse democratie versus een ophemeling van het islamitische kalifaat. Sharia4Holland bezigt daarbij een explicieter discours en wijst gebruik van geweld niet openlijk af. De dreiging zit dus niet zozeer in de omvang en populariteit van de beweging, maar veelmeer in haar militante en potentieel gewelddadige karakter. 

Rol eigen sociale structuren

Met Wijbenga ben ik van mening dat het zelden zinvol zal blijken om in gesprek te gaan met moslimextremisten die overlopen van intolerantie en haat tegen de samenleving én vaak ook tegen hun medemoslims. Als ze in welke zin dan ook over de schreef gaan, is het aan politie en justitie om daar repressief tegen op te treden.

Verder deel ik met Wijbenga de idee dat de moslimgemeenschap zelf een rol kan spelen bij het beperken van de schadelijke effecten van extremistische elementen binnen hun geledingen. En dat gebeurt ook. Zo zijn er zat moskeeën die - soms met de nodige moeite - hen geen podium bieden. Maar om zowel de negatieve invloed op de beeldvorming en naar andere jongeren als de voedingsbodem voor processen van radicalisering structureel aan te pakken, is samenwerking van islamitische instituties met bijvoorbeeld scholen, het maatschappelijk middenveld en de lokale of landelijke overheid broodnodig.

Helaas zijn daar zeker vanuit de politiek weinig handen meer voor op elkaar te krijgen. Naast de verminderde aandacht voor beleid dat gericht is op het voorkomen van radicalisering en polarisatie, is de volledig doorgeschoten fixatie op de scheiding van kerk en staat hiervoor tekenend.

Roemer van Oordt is redacteur van Republiek Allochtonië

Meer over extremisme, radicalisering en polarisatie: hier
 

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook. Republiek Allochtonië (voorheen Allochtonenweblog) bestaat 7 jaar. Waardeert u ons werk? U kunt het laten blijken door ons te steunen.

 



Meer over extremisme, hizb ut-tahrir, ibrahim wijbenga, job cohen, moskeeën, moslimjongeren, polarisatie, radicalisering, roemer van oordt, scheiding kerk en staat, sharia4holland.

Delen:

Reageer




Reacties


Jan Mahmood Beerenhout - 29/10/2012 10:07

Het pleidooi van Ibrahim Wijbenga :islamitische organisaties moeten zelf ook optreden tegen religieus extremisme in/uit eigen kring ondersteun ik van harte. Zowel in preventieve als correctieve zin. In de eerste plaats door duidelijk te maken welke Islamitische argumenten en maatregelen daarvoor beschikbaar zijn. Dan kan - ten tweede- het het zelfreinigend vermogen van die organisaties (moskeen e.d.) vergroot worden, en dat kan - ten derde - als de organisaties die al optreden daarmee (collectief) in de openbaarheid treden.
De drijfveer daarvoor moet zijn dat de schade die deze extremisten, kapers en misbruikers van de Islam, met hun acties aanrichten, enorm is, en dat je daar niet openlijk tegen verzetten, op z'n minst de indruk versterkt dat je dergelijk optreden aanvaardt. "Wie zwijgt, stemt toe'.