Marokko in 2019-1999-1979-1959, deel IV

In achtergronden door Saïd Bouddouft op 05-03-2020 | 09:20

In 2019 was het 50 jaar geleden dat Marokko en Nederland het Verdrag voor het werven van arbeiders hebben getekend. Deze officiële 50-jarige Marokkaanse arbeidsmigratie werd op grote schaal gevierd. Dit is het vierde artikel waarin Said Bouddouft een schets geeft van de ontwikkelingen in Marokko tussen 1959 en 1984.
Het voorgaande artikel sloot af met een verwijzing naar de behandeling van de vrije pers in “het Marokkaanse nieuwe tijdperk”. Om te verduidelijken hoe het regime met de vrije pers omging volgt hier een beschrijving van hoe het één van de eerste onafhankelijke Marokkaanse weekbladen verging.

De rode lijn wordt weer getrokken….

Marokko kent de uitdrukking de “algat alahmar” (la Ligne rouge/ de rode lijn). Met deze uitdrukking maakt men kenbaar dat je die beter niet kan overschrijden. Men spreekt niet over de grenzen van de wet. De willekeur is zo groot dat men over een lijn spreekt. Maar waar die lijn precies naar verwijst is vaak onduidelijk. Drie woorden vormen wel de kern van de zaak en dat zijn Allah, Alwatan, Almalek (God, vaderland en de koning). Maar met deze kennis ben je er nog niet. Want het gebied dat deze rode lijn markeert blijft een mijnenveld, je weet dat er mijnen liggen maar niet waar. Tot je erop staat.

Dat hebben Aboubakr Jamaï en Ali Amar, de pioniers van de onafhankelijk en vrije pers in Marokko van het nieuwe tijdperk, ervaren. Jamaï en Amar brachten eind jaren 90 het Franse (Le Journal) en het Arabische (Assahifa) weekblad uit. “De zaak” van Le Journal en Assahifa illustreert hoe over een periode van tien jaar (2000-2010) de onafhankelijke journalisten (niet gelieerd aan politieke partijen en regering) in dit nieuwe tijdperk invulling trachten te geven aan onafhankelijke nieuwsgaring en kritische beschouwingen. En het laat zien hoe het regime in dit nieuwe tijdperk hierop reageerde en welke middelen zij inzette om deze vrije pers de mond te snoeren.  

Terzijde: Er wordt wel beweerd dat Le Journal en Assahifa niet de eerste onafhankelijk bladen waren. Dan verwijst men naar bladen als Al-Mouatine Assiyassi (politieke burger/1990), Maroc Hebdo (1990) en L’Economiste (1991), zo zijn er nog wel een aantal dag- en weekbladen te noemen. Het verschil tussen deze bladen en Le Journal en Assahifa is de mate waarin men de nieuwe persvrijheid benutte om kritisch politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te volgen en deze van commentaar te voorzien. De redactie van Le Journal en Assahifa benutte die ten volle en ging de confrontatie met de heersende elite niet uit de weg. Terwijl de andere genoemde bladen zich conformeerden aan de lijn van Almakhzane (de staat) en niet vies waren van financiële en andere voordelen die dat met zich meebracht.  

Aboubakr Jamaï is in 1968 in Rabat geboren. Daar rondde hij zijn middelbare school af en in Casablanca studeerde hij af aan de Hoger Instituut voor Handel en Bedrijfskunde (ISCAE). Daarna ging hij studeren aan de Oxford University. Eerst voor het baccalaureaat wiskunde en vervolgens de MBA. Begin jaren 90 keerde hij terug naar Marokko en trad in dienst van de Marokkaanse Wafabank. Hij was samen met een bevriende bankier medeoprichter van de eerste onafhankelijke Marokkaanse investeringsbank. Verder adviseerde hij het uitvoerend comité van de Economische Conferentie voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Kennelijk zag Jamaï een gat in de Marokkaanse mediamarkt. Want in 1997 verliet hij de financiële sector om samen met de bankier Ali Amar een mediabedrijf (SARL) op te richten. SARL begon met de uitgave van het Franstalige weekblad Le Journal. In 1998 kwam daar het Arabische weekblad (Assahifa) bij. Beide bladen liepen goed. Het jaar 2000 werd afgesloten met een omzet van 25 miljoen Marokkaanse Dirham (€ 2,5 miljoen). Volgens Amar kende Le Journal in 2000 een oplage van 30.000 exemplaren en was de oplage van Assahifa 45.000. Voor Marokkaanse begrippen is dit veel. Het land kent namelijk een hoog percentage aan analfabeten.

Aan het begin van het nieuwe millennium schatte men het lezerspubliek voor kranten en tijdschriften op 300.000 (op een bevolking van 33 miljoen). Het betekent dus dat Le Journal in nog geen 3 jaar zo’n 10% van het lezerspubliek bereikte.

Le Journal was in het begin sterk georiënteerd op economische en financiële onderwerpen. Dit werd natuurlijk ingegeven door de achtergrond van de eigenaren, die tevens de hoofdredactie vormden. Het leverde het weekblad veel advertenties op. Gaandeweg zijn meer en andere (meer ervaren) redacteuren aangetrokken en daarmee kwamen ook meer sociaal, cultureel en politieke onderwerpen aan bod.  

L'alternance op zijn Marokkaans

In 1998 werd het “gouvernement de l'alternance” geïnstalleerd. Deze regering die geleid werd door de socialist en voormalige tegenstander van het regime, Abdelarrahman El-Youssefi., moest Marokko naar democratie leiden. Het doel van het gouvernement de l'alternance was verkiezingen organiseren zodat de Marokkaanse regering tot stand zou komen op basis van een verkiezingsuitslag. Het nieuwe gekozen parlement zou vervolgens de leden van het kabinet voordragen. De uitzonderingen hierop vormden de ministers van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse zaken, Justitie en Religieuze Zaken, deze zogenaamde soevereine ministeries bleven onder de hoede van de koning. Verder zouden er ook geen “smerige trucjes” (de woorden van El-Youssefi zelf) meer worden uitgehaald tijdens de verkiezingen.  

Het weekblad Le Journal steunde deze hervormingen vanaf het begin. Eind september 1998, zes maanden na de installatie “Le gouvernement de l’alternance” verschijnt er in Le Journal, een voor Marokko tot dan toe zeer ongebruikelijk opiniestuk. De redactie van het blad eiste namelijk het vertrek van de machtige minister van Binnenlandse Zaken, Driss Al Basri. Le Journal meende dat Driss Al Basri, de nieuwe politieke koers van het land in de weg stond en eiste daarom zijn vertrek. Er verschenen zonder problemen in Le Journal en Assahifa meer artikelen over, voor Marokko, “gevoelige” onderwerpen. Het scheen dat Hassan II  zelf gecharmeerd was van deze bladen, al was de medeoprichter een zoon van een van zijn tegenstanders, namelijk Khalid JamaÏ. Hassan II zag het belang van deze nieuwe weekbladen. Zij vormden namelijk voor het buitenland het bewijs van Marokko’s goede intenties. Hij bood de oprichters dan ook een aardig kapitaaltje aan om een eigen drukkerij op te zetten. Een aanbod dat geweigerd werd.  

Op 14 april 2000, Hassan II was al overleden en Al-Basri was ontslagen, kwam Le Journal met een dossier over de Westelijke Sahara. Heel erg on-Marokkaans is het dossier niet. Er worden geen pro- Polisario-standpunten verkondigd. De auteurs waren van mening dat de westelijke Sahara tot Marokko behoorde en dat het separatisme van Polisario een gevaar vormde voor de Maghreb, die eerder gebaat is bij eenheid in plaats van verdere versnippering. De auteurs pleitte voor het stopzetten van de VN-plannen voor een referendum en het eeuwige gesteggel rond de procedures. Verder pleiten zij voor de zogenaamde derde weg, een grote autonomie voor het Sahara-gebied. Deze optie had Hassan II zelf al eerder had voorgesteld, die ooit zei dat hij zelf de meeste gematigde Marokkaan is in de Sahara-kwestie. In het dossier werd de diplomatieke dienst van Marokko zwaar bekritiseerd. In verhouding tot de vertegenwoordigers van de Polisario, was het lobbywerk van de Marokkaanse diplomaten onbeduidend. Deze constatering kwam tot stand op basis van interviews met Amerikaanse politici en ambtenaren en VN-diplomaten. Daarnaast stond er een kort interview met de leider van Polisario, Mohammed Abdelazziz in. Dit interview is afgenomen in aanwezigheid van de journalisten van MAP (het officiële Marokkaanse persagentschap) en "Al Ittihad al Ishtiraki", de krant van de regerende socialistische partij van premier Abdelarrahman El-Youssefi. El-Youssefi was tevens de directeur van de partijkrant. En het was El-Youssefi die de verschijning van het betreffende nummer van Le Journal verbood. Daarbovenop verbood hij ook het verschijnen van Assahifa, hoewel deze in het geheel niet berichtte over Polisario of de westelijke Sahara. De grond voor het verschijningsverbod was: de veiligheid van de staat was in gevaar gebracht, het streven naar winst en het overtreden van regels voor de pers. De eigenaren van de weekbladen stapten naar de rechter die hen voor een deel in het gelijk stelde. De rechter gaf de regering gelijk wat betreft Le Journal. Maar Assahifa mocht gewoon verschijnen.  

Hierna gebeurde iets bijzonders voor Marokko. De drukkerijen in Marokko weigerden de weekbladen van het mediabedrijf van Jamaï en Amar te drukken. De drukkers hadden namelijk “via/via” te horen gekregen dat het mediabedrijf op de rand van faillissement stond en niet meer kredietwaardig was. Gelukkig voor de redactie kwam er steun uit Frankrijk. De Franse kranten Libération en Le Courrier international boden hulp. Beide bladen werden vervolgens in Parijs gedrukt en naar Casablanca gevlogen voor de distributie. Het financieren van de kosten voor het drukken en het vervoer vormden voor de eigenaren geen enkel probleem. Het bedrijfsleven bleef vertrouwen houden in de bladen en bleef advertenties plaatsen.  

Op 2 december 2000 zijn beide bladeren definitief verboden door El-Youssefi. Ironisch genoeg werden die verboden op grond van het artikel 77 van de perswet. Hetzelfde artikel werd 40 jaar daarvoor (in 1960) tegen El-Youssefi zelf gebruikt als directeur van de eerste krant van zijn partij. In die tijd noemde hij het betreffende artikel, “het artikel van de schande”.  

El-Youssefi legde het verschijningsverbod op aan Le Journal en Assahifa omdat de redactie van plan was een brief te publiceren over zijn betrokkenheid en die van zijn partijgenoten bij de mislukte staatsgreep van 1972, samen met generaal Oufkir. De brief was afkomstig van Fqih Basri (niet Driss) en gericht aan de leiders van zijn partij UNFP El-Youssefi en Bouabid. Toen beide bladen op 2 december 2000 uit Parijs op het vliegveld van Casablanca arriveerden stond El-Youssefi hen persoonlijk op te wachten om de vracht tegen te ouden.

De Marokkaanse premier beschuldigde de redactie van "bedreiging van de staatsveiligheid, aanvallen op de monarchie en ondermijning van het moreel van de Marokkaanse strijdkrachten”! Gevaarlijke aantijgingen allemaal. De bewijzen waarover de redactie beschikte, werden niet bestreden. De rol van UNFP bij de mislukte staatgreep van 1972 werd niet ontkend. Met publicaties over een mislukte staatgreep van 30 jaar daarvóór, kun je moeilijk de veiligheid van de staat bedreigen. Hassan II zelf had ook al de nodige aandacht besteed aan deze gebeurtenis. De publicatie van een brief als een aanval op de monarchie aan te merken is je reinste onzin. Zo ook de beschuldiging van aantasting van het moreel van de strijdkrachten. Het enige probleem van de publicatie van Le Journal was dat El-Youssefi zelf in verlegenheid werd gebracht. Als premier maakte hij misbruik van zijn macht om de pers de mond te moeren. De ingreep van El-Youssefi vormde niet de enige tegenslag voor de vrije pers, en specifiek voor Le Journal, in Marokko. Na 2000 volgden meer en grotere tegenslagen. Daarover in het volgende artikel meer.

Foto


Zie ook:

Marokko stond in 2019 135e op de wereldranglijst persvrijheid

Het eerste artikel in deze reeks

Het tweede artikel 

Het derde artikel

Meer artikelen over Marokko


Wilt u dat Republiek Allochtonië blijft bestaan? Waardeert u ons vrijwilligerswerk? We kunnen uw steun goed gebruiken. U kunt Republiek Allochtonië steunen en een klein (of groot) bedrag doneren (nu ook via I-deal)


Neem een abonnement op onze dagelijkse nieuwsbrief: Subscribe to Republiek Allochtonië by Email
 

 


Meer over Marokko, media, persvrijheid.

Delen:

Reageer