Marokko in 2019-1999-1979-1959, deel II

In achtergronden door Saïd Bouddouft op 20-01-2020 | 09:12

In 2019 was het 50 jaar geleden dat Marokko en Nederland het arbeidswervingverdrag hebben getekend. Dit werd op grote schaal gevierd. In Marokko viel er in 2019 nog veel meer te vieren. Was daar wel voldoende aanleiding voor? Said Bouddouft maakt de balans op van vijf decennia in een serie artikelen. Dit is het tweede artikel waarin hij een schets geeft van de ontwikkelingen in Marokko tussen 1959 en 1984.

Marokko had heel wat te vieren in 2019. Dat gold ook een beetje voor de Marokkaanse Nederlanders. Het was immers 50 jaar na de officiële start van de werving van de arbeidsmigranten uit Marokko en dat mocht worden gevierd. Want in 1969 werd de officiële overeenkomst tussen Nederland en Marokko getekend voor de werving van gastarbeiders. Het ene koninkrijk kwam wat handen tekort en het andere land had een overschot aan lastig volk dat het liever kwijt dan rijk was. En zo vloeiden twee belangen samen tot een wervingsovereenkomst.

Migranten hadden overigens niet gewacht op de overeenkomst van 1969. Mensen vertrokken al eerder naar Europa, om te beginnen naar Frankrijk en daar hadden zij alle redenen toe. Want bijna heel Marokko vocht (op de ene of een andere manier) mee tegen Frankrijk en Spanje als koloniale machten. De bevolking wilde vrij zijn. Al snel na het officiële vertrek van Frankrijk en Spanje merkten mensen, dat zij er alleen maar op achteruit gingen, in alle opzichten. De officiële leus van de zogenaamde nationale beweging, sterk gedomineerd door de Istiklalpartij (Partij voor onafhankelijkheid), was progressie. Marokko moest en zou voortuitgaan. Maar de Marokkaanse bevolking kreeg alleen maar te maken met repressie. De Istiklalpartij en het paleis vochten om het machtsmonopolie en hebben heel veel onschuldige slachtoffers gemaakt. Ontvoeringen, martelingen en moorden waren aan de orde van de dag. In de periode 1955-1960 kwam het vaak voor dat personen verdwenen of dat mensen uit hun slaap wakker werden en zagen dat er lijken in hun straten lagen. Politieke motieven waren vaak, maar niet altijd, de oorzaak van deze misdaden. In veel gevallen was niet eens duidelijk waarom iemand verdween of waarom die dood lag in de straten van Rabat, Casablanca of andere stad.

1959

Over één zaak waren de Istiklalpartij en het paleis het wel eens; en dat was het onderdrukken van de volksopstand in de Rif, het noorden van Marokko. De opstand begon in 1958 en had verschillende oorzaken, die grotendeels te maken hadden met de formele beëindiging van “het protectoraat”. Marokko was tot 1956 een Frans (midden) en een Spaans (noorden en de westelijke Sahara) protectoraat. Het noorden, inclusief een groot deel van de Rif, stond dus onder Spaans bestuur.

Spanje droeg de soevereiniteit over dat gebied in 1956 aan Marokko over. De Marokkaanse regering, grotendeels bestaand uit leden van de Istiklalpartij, besloot om het hele systeem dat in “Frans Marokko” gebruikelijk was, toe te passen op het noorden. Daarmee werd het noorden gelijk op achterstand gezet ten opzichte van de rest van Marokko. Zo werd de Spaanse peseta vervangen door de Franse frank zonder omruilmogelijkheden, waardoor mensen veel geld verloren. De werknemers die in dienst waren van het Spaanse bestuur als soldaat, politieagent of een andere overheidsfunctie, hadden ineens geen werkgever meer en dus ook geen inkomen.

De bewoners moesten wel “Tertib” betalen. Dit was een belastingstelsel voor landbouw en veehouderij dat door de Fransen in “Frans Marokko” werd afgedwongen en in stand werd gehouden na 1956.  In “Frans Marokko” werden de Arabische en Franse talen onderwezen en in de administratie en voor het bestuur gebruikt. Dat werd in het gehele “bevrijde” Marokko toegepast. Dat was een radicale verandering voor het noorden waar de Spaanse taal in gebruik was. In de Rif moest men overschakelen van het Riffijnse Tamazikht (Berbers) naar Arabisch en Frans, talen die daarvoor nauwelijks of helemaal niet in gebruik waren. Wat de situatie nog veel erger maakte, was de komst van het overheidspersoneel voor de ordehandhaving, administratie, onderwijs enz. Het personeel, veelal leden van Istiklalpertij, kende de lokale taal niet, trok zich niets aan van de lokale gewoontes en gebruiken en keek neer op de lokale bevolking. De bevrijding was in de praktijk voor de lokale bevolking een vorm van een nieuw kolonialisme, maar dan veel erger dan het Spaanse. Daarom kwam men in opstand.

Het probleem van de nieuwe politiemannen, ambtenaren en onderwijzers speelde trouwens overal op het Marokkaanse platteland. De opstanden tegen de nieuwe machthebbers braken dan ook uit op veel plaatsen. Bij deze opstanden was de hand van het paleis duidelijk aanwezig. De overheid heeft de meeste opstanden kunnen beheersen door onderhandelingen, het inschakelen van lokale leiders als bemiddelaars, het vervangen van de nieuwe ambtenaren en politiemannen door lokale persoonlijkheden en militairen én door (een deel van) de eisen in te willigen.

In de Rif ging het er anders aan toe.

Het pas, door de kroonprins en later koning Hassan II, opgerichte Marokkaanse leger werd ingezet tegen de bevolking. Eind 1958 verklaarde de koning Mohamed V de provincies Taza en Al-Hoceima tot militaire gebieden, riep hij de noodtoestand uit in heel Marokko en stuurde meer dan 20.000 soldaten (80% van het leger toen) naar de provincie Al-Hoceima en het noordelijke deel van Taza. Op 5 januari 1959 sprak de koning de opstandelingen, die tot separatisten werden bestempeld, toe en stelde hen een ultimatum om binnen twee dagen hun opstand te beëindigen. Het leger was toen al bezig met de slachting onder de bevolking. Deze slachting heeft twee weken geduurd en leidde tot duizenden slachtoffers. Het leger heeft deze opstand alleen kunnen beëindigen door de inzet van  Franse vliegtuigen en artillerie.

Het was voor het eerste keer in de twintigste eeuw dat het Marokkaanse leger onder bevel van de Marokkaanse bevelhebbers, en niet de Franse of de Spaanse, werd ingezet tegen de Marokkaanse bevolking. Het jaar 1959 was daarmee de eerste mijlpaal in de geschiedenis van Marokko als het gaat om de slachting onder de bevolking en het plegen van oorlogsmisdaden. Dat jaar was ook min of meer het startschot voor wat later de Jaren van lood werden genoemd.

De periode van de Jaren van lood is zoals gezegd in 1959 begonnen. Want het met grof geweld beëindigen van volksopstanden, bleef niet beperkt tot dat jaar. In 1965 was het de beurt aan de jeugd van Casablanca om tegen onrecht in opstand te komen. De opstand van maart 1965 begon middels een demonstratie van jongeren tegen de beperking van de toegang tot het onderwijs. De arme en gemarginaliseerde bevolking van de sloppenwijken sloot zich aan bij die opstand. Het leger zette tanks en helikopters in om het volk “tot bedaren” te brengen met als gevolg honderden, zo niet duizenden, slachtoffers. Hoeveel slachtoffers er precies vielen, zal nooit worden achterhaald. De voormalige medewerker van de Marokkaanse geheime dienst, Ahmed Al Boukhari sprak over 1.000 doden. Een groot deel van deze slachtoffers verdween in geheime massagraven.

1979

De eerste 20 jaar onderdrukking in `het onafhankelijke´ Marokko werd uitgevoerd door het leger. Vanaf 1979 wordt een burger de verpersoonlijking van de Jaren van Lood. Want in dat jaar benoemde de toenmalige koning Hassan II,  Driss El Basri als minister van Binnenlandse Zaken. De binnenlandse macht moest verschuiven van het leger naar de baas van zo’n beetje alles wat Marokkaans was, namelijk het ministerie Binnenlandse Zaken. Onder dit ministerie vielen alle Marokkaanse ambtenaren, veiligheidstroepen, staatsmedia, sectoren in de economie, verkiezingen en ga zo maar door. De generaals van het leger kregen van de koning te horen dat zij hun portemonnees mochten vullen zoals zij dat wensten, maar dat ze moesten afblijven van de politieke macht. En zo geschiedde.

Martelaren van Kommera

Driss El Basri bewees twee jaren later het nut van zijn benoeming, in juni 1981 om precies te zijn. Bovenop de uitgaven voor de oorlog tegen POLISARIO, die vanaf 1975 was begonnen en de plundering van de staatskas door de elite, kwam de droogte aan het eind jaren 70 en het begin jaren 80. De droogte trof natuurlijk de landbouw, de belangrijkste economische bron van Marokko in die tijd. Marokko was economisch en financieel totaal uitgeput. De financiën van de staat waren belast met $ 11 miljard aan buitenlandse schulden (1981). Wordt in de huidige economie gesproken over ‘negatieve rente’, in de jaren 80 was dat andere koek. Rentepercentages schoten eind jaren 70 en vooral begin jaren 80 omhoog. 10% was geen uitzondering. Om wat dirhams in de la te hebben, moest de regering bedelen om een lening bij verschillende banken. Marokko kreeg een lening van het Arabische Monetaire Fonds, van de golfstaten die hun overschotten aan oliedollars konden doorsluizen naar de armere “broeders”; de Amerikaanse Investeringsbank en de belangrijkste: de Wereldbank en het IMF. Vooral de leningen van de Wereldbank en het IMF waren in die tijd (nu nog steeds) dodelijk. Deze internationale instanties hadden in die tijd een heel eenvoudig recept voor de bezwering van de financiële crisissen in “het derde (zuidelijke deel van) wereld”. Dit recept was: bezuinigen op de uitgaven voor voedsel, zorg en onderwijs, privatisering van de staatsbedrijven en alle economisch aandacht richten op export. De harde valuta moesten immers binnenstromen. Dit bleek de opmaat voor een andere crisis, de schuldencrisis, maar die moest nog komen.

Voor het sluiten van een lening, moest ook Marokko het recept van de fondsen toepassen. De regering kondigde bezuinigingen aan op subsidies voor voedsel, onderwijs en zorg.  De kosten voor tarwe, suiker en olie, basisvoorzieningen voor de Marokkaanse bevolking, zouden met 50% à 70% worden verhoogd. Deze verhogingen waren voorgegaan door de prijsverhogingen van 1979 en 1980. De vakbond CDT organiseerde hierop een algemene staking aan op 20 juni 1981. Het economisch leven en de openbare diensten in stedelijke centra werden stil gelegd. Daarnaast vonden demonstraties plaats van scholieren in veel steden. Demonstraties die een versterking kregen van de massa. De koning stuurde de veiligheidstroepen de straat op om de opstand te stoppen. Maar dat was niet zo eenvoudig. Er braken gevechten uit tussen politie en demonstranten en zo ontwikkelden de demonstraties zich tot een volksopstand, met Casablanca als  centrum. Omdat de politie niet voldoende kracht had voor de onderdrukking van de opstand, werd het leger ingezet. De politie en het leger hebben meer dan 25.000 mensen, vooral activisten van de vakbond, politieke partijen en studenten, gearresteerd of ontvoerd. Later hebben Marokkaanse rechters zware straffen (tot ‘1400 jaar’ cel) aan deze activisten opgelegd.

Het leger gebruikte ook echte kogels om de massa te beheersen. Soldaten schoten in het wilde weg. Er vielen doden, veel doden. Van officiële zijde werd gesproken over 114 gedode “plunderaars”. De onofficiële bronnen spreken over 700 tot 1.000 doden. Het probleem was dat de stoffelijke overschotten van de gedode personen verdwenen. Geruchten spraken over een massagraf onder de basis van de Dienst Civiele Bescherming in de wijk Hay El Mohammadi in het centrum van Casablanca. Dit is zeker niet uitgesloten. In het Marokko van Hassan II was politiek cynisme een topsport. Tekenend is hoe denigrerend Driss Al Basri de slachtoffers noemde. Hij had het over shoehada del kommera, ‘martelaren van het brood’. Het is dus heel goed mogelijk dat deze martelaren van brood begraven werden onder de barakken van de dienst die de bevolking bescherming moest bieden. Drie jaar later werd dit herhaald!

Awbash: werklozen, smokkelaars en bandieten

De financiële en economische problemen van de overheid en die van de bevolking werden natuurlijk niet opgelost door het neerslaan van de opstanden. Nee, die problemen werden alleen maar groter. Volgens de officiële cijfers telde de Marokkaanse bevolking begin jaren 80 zo’n 21 miljoen zielen. 85% hiervan leefde op het platteland en moest het vooral hebben van de landbouw en veehouderij. Door de droogte mislukten veel oogsten. Deze droogte had ook gevolgen voor de omvang van de veestapel. Mensen trokken naar de steden op zoek naar werk. Maar daar was er ook geen werk te vinden. De werkloosheid was enorm hoog. Naar schatting waren er 120.000 universitaire geschoolde werkzoekenden. De cijfers over werkloosheid onder analfabeten, laagopgeleiden en de inwoners van het platteland werden niet eens bijgehouden. In steden woonden meer dan 1 miljoen mensen in sloppenwijken. Ongeveer 50% van de bevolking leefde onder de toen geldende armoedegrens. De begroting van de staat was belast met buitenlandse schulden waardoor de overheid zich geen enkele investering of welke uitgaven dan ook kon permitteren. Behalve natuurlijk 1 miljoen dirham per dag aan de oorlog in westelijke Sahara en niet te vergeten de schulden, die terugbetaald moesten worden.

De bevolking moest deze uitgaven “ophoesten”.  In april 1983 werd daarom de BTW op alle producten verhoogd en de nationale munt werd gedevalueerd waardoor de prijzen omhoogschoten. Voor de Wereldbank en IMF waren de maatregelen echter niet genoeg. Er moest meer gebeuren en zo kondigde Hassan II in december 1983 nieuwe maatregelen die in januari 1984 zouden worden ingevoerd. Ter illustratie een paar maatregelen die destijds werden aangekondigd:

 

  • Bijna 20.000 van 44.000 overheidsfuncties werden weggesaneerd. Met andere woorden: 20.000 werklozen erbij!
  • Het budget van de Caisse de Compensation, het bureau dat belast was met de stabilisatie/ondersteuning van prijzen, werd met 600 miljoen dirham verlaagd;
  • Verhoging van BTW en accijns;
  • Verhoging van de Nationale Solidariteitspremie, lees de volksbijdrage aan de oorlog in westelijke Sahara;
  • Voor de inschrijving in hogere of universitaire onderwijs werden leges ingevoerd, 50 respectievelijk 100 dirham;

 

De laatste maatregel vormde de directe aanleiding voor demonstraties van scholieren en studenten in Nador en Al Hoceima die op 17 januari 1984 begonnen. Hierna sloeg de opstand over naar andere groepen (arbeiders, boeren enz.) en andere steden. Vooral naar Tetouan, Ksar-el-Kebir en Marrakesh. Dit waren ook de steden die Hassan II in zijn toespraak van 22 januari nadrukkelijk had genoemd. De inwoners van deze steden waren volgens hem Awbash (schorem, volk van laag allooi) die van diefstal en smokkel leefden. Hassan II had kennelijk vóór de opstand geen probleem met smokkel. Want één van de maatregelen die hij had aangekondigd, was het belasten van het bezoek aan Ceuta en Melilla. Zo zouden de voetgangers worden belast met 100 dirham per bezoek en de auto-eigenaren met 500 dirham. Die belasting was niet bedoeld voor het bezoeken van beide steden op zich, maar omdat de meeste bezoekers daar spullen goedkoper konden kopen en met een winst in de rest van Marokko konden verkopen. Het was (en het is nog steeds) ‘legale smokkel’. De koning wilde dus aan de smokkel verdienen in plaats van deze tegenhouden.  

Koning Hassan II sprak toen ook zijn beruchte woorden. Hij refereerde namelijk aan de misdaden die op zijn bevel in 1959 in Al Hoceima e.o. waren begaan. Hij had het over “de mensen van het noorden die de kroonprins hebben gekend” en het was, volgens hem, “beter voor hen om Hassan II niet te kennen”.

De koning had op 22 januari zijn toespraak gehouden nadat de opstand neergeslagen werd door het leger. Het leger schoot met kogels. Ook bij deze opstand vielen veel slachtoffers. Volgens officiële zijde zouden 29 doden en 114 gewonden zijn gevallen. Maar volgens de Spaanse media, die altijd zeer goed geïnformeerd zijn over Marokko, waren er 400 doden te betreuren. In 2008 werd een massagraf ontdekt onder de basis van de dienst civiele bescherming in Nador. In 2010 werden de stoffelijke overschotten herbegraven na identificatie van 16 personen.  

Bij deze volksopstand ontbrak de gebruikelijk ‘stem van Casaui’s’ (de bevolking van Casablanca). Dit had twee belangrijke oorzaken. Om te beginnen had Hassan II door eerdere opstanden de bestuurlijke indeling van Casa herschikt. De stad werd opgedeeld in verschillende deelgemeentes waardoor de stad beter beheerst kon worden. Maar de belangrijkste oorzaak was de organisatie van de zogenaamde Conferentie van de Islamitische Staten. Door deze conferentie werd bijna de hele Marokkaanse politiemacht in Casa ingezet. Daardoor had de bevolking geen enkele bewegingsruimte.

Vijftien jaar na de volksopstand van 1984, leek Marokko definitief een eind te kunnen maken aan de Jaren van lood. Hoe dat ging lees je in de volgende artikelen.

Foto: krantenkop Volkskrant 12 juli 1971


Zie ook:

Het eerste artikel in deze reeks

Meer artikelen over Marokko


Wilt u dat Republiek Allochtonië blijft bestaan? Waardeert u ons vrijwilligerswerk? We kunnen uw steun goed gebruiken. U kunt Republiek Allochtonië steunen en een klein (of groot) bedrag doneren (nu ook via I-deal)


Neem een abonnement op onze dagelijkse nieuwsbrief: Subscribe to Republiek Allochtonië by Email
 

 


Meer over Hassan II, Marokko.

Delen:

Reageer