Bijna tweederde docenten getuige van moslimdiscriminatie in de klas

In achtergronden op 17-02-2015 | 11:23

Meer dan helft van de docenten (61%) is het afgelopen jaar getuige geweest dat leerlingen grievende opmerkingen maakten over moslims of zich fysiek uitten tegen moslims. Daarmee komt moslimdiscriminatie vaker voor dan antisemitisme (36%) of discriminatie van christenen (30%), maar minder vaak dan discriminatie van homoseksuelen (77%). Een meerderheid van deze docenten (83%) was getuige van grievende opmerkingen over de islam en moslims in het algemeen.

Dat blijkt uit het rapport van onderzoeksbureau Panteia, dat in opdracht van de Anne Frank Stichting en FORUM onderzoek deed naar moslimdiscriminatie in het voortgezet onderwijs. Hierbij werd samengewerkt met de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam.

De Anne Frank Stichting wil met het onderzoek, waaraan 498 docenten meededen, een actueel beeld krijgen van de aard en omvang van moslimdiscriminatie op middelbare scholen. Het onderzoek is een vervolg op het onderzoek in 2013 naar antisemitisme in het voortgezet onderwijs.

Een meerderheid van de docenten (76%) ziet in vergelijking met de voorgaande jaren geen toe- of afname in het aantal voorvallen van moslimdiscriminatie. 

Voorvallen vinden vaak plaats op het praktijkonderwijs (78%) of op het VMBO kaderberoepsgerichte leerweg (70%) en minder vaak op de HAVO (55%) of het VWO (51%).

Aanleiding voor een incident is veelal (media)aandacht voor overlast en crimineel gedrag van jongeren met een (vermeende) islamitische achtergrond. Ook aandacht voor terrorisme of terroristische organisaties in binnen- en buitenland wordt door docenten als mogelijke aanleiding van de incidenten gezien.
 Daders zijn vaker mannen dan vrouwen (57% vs. 8%). In 36% van de voorvallen waren het gemengde groepen van mannen en vrouwen. Kenmerkend voor daders is verder dat ze meestal van autochtone afkomst zijn (84%), afkomstig uit het VMBO (58%) en volgens de docenten vaak geen religieuze achtergrond hebben (41%) of de religieuze achtergrond is onbekend (32%).

Slachtoffers zijn meestal jongens van Marokkaanse of Turkse komaf. Bij bijna de helft van de meest recente voorvallen had het slachtoffer volgens de docenten enigszins (30%) of sterke (13%) emotionele schade door het voorval.

Opmerkelijk is dat  islamitische leerlingen (20%) of leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond (beide 18%) ook als dader betrokken zijn bij een voorval van moslimdiscriminatie. Ook is volgens docenten bijna een derde van de slachtoffers van moslimdiscriminatie autochtoon (27%). Ook christelijke (16%), joodse (6%) en hindoestaanse (2%) leerlingen worden door de docenten gezien als slachtoffer van voorvallen over of tegen moslims. De onderzoekers schrijven: "Op basis van de open antwoorden van docenten vermoeden wij dat het hierbij gaat om ruzies en scheldpartijen over en weer waarin algemene grievende opmerkingen over de islam en moslims worden gemaakt. Docenten bestempelen dus de leerlingen die slachtoffer zijn van moslimdiscriminatie, tegelijkertijd als dader (‘aanstichter’) van de ruzie of scheldpartij en de daders als slachtoffer. Het lijkt erop dat een voorval van moslimdiscriminatie vaak onderdeel van een ‘gewone’ ruzie, discussie of scheldpartij is".

Lees meer bij de Anne Frankstichting of in het rapport

Meer over moslimhaat op Republiek Allochtonië hier

 

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook.  

 

 


Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook! 


 

 


Meer over anne frank stichting, discriminatie, moslimdiscriminatie, moslimhaat, onderzoek.

Delen:

Reageer




Reacties


John Dubbelboer - 18/02/2015 08:50

Leuk, we gaan onderzoek doen. Gesponsord door de neoliberale Open Society. Alle groten van het antiracisme doen mee. We gaan naar ons Nederlandse praktijkonderwijs en we gaan op bezoek bij de docenten geschiedenis en maatschappijleer. Daar in dat klaslokaal komen twee geplaagde groepen bij elkaar. Docenten die wij zo graag de les lezen en al die jongens en meisjes die niet gemakkelijk leren en die graag wat met hun handen doen maar tja, er moet nu eenmaal algemene vorming afgedwongen worden.
Dus, we geven ze geen oefenpop om te leren verbinden of meel om te leren hoe je brood moet bakken maar we gaan praten, discussiëren.
De onderzoekers gaan aan de slag in deze ongetwijfeld rumoerige lessen. Laten we ons geen enkele illusie maken van de sfeer in zo’n les. Lastig om te bepalen of hier nu sprake is van moslimdiscriminatie. Wat je wel ziet is dat bepaalde groepen zich profileren door kleding. Op een gegeven moment zeggen de onderzoekers:
Begin citaat:
Het lijkt erop dat een voorval van moslimdiscriminatie vaak onderdeel van een “gewone” ruzie, discussie of scheldpartij is.
Einde citaat.
Laten we nog even nalezen wat Adrian Hart hierover zegt.
Laten we ook eens op bezoek gaan bij een willekeurige niet-commerciële instelling in Nederland waar het wemelt van de weldenkende en hoog opgeleide witte Nederlanders, liefst part-time werkend. Geen gescheld, geen “korte lontjes”, dus ook geen discriminatie?
Slim hoor om te wijzen naar die arme docenten en hun arme leerlingen.
Nieuwsbrief

Agenda