Pijn en gelijkheid - Na het Kamerdebat over ritueel slachten

In opinie door Jan Dirk Snel op 26-06-2011 | 12:50

Tekst: Jan-Dirk Snel

Het moet maar.

Ik geloof niet dat ik bij het begin van dit jaar had kunnen bedenken dat een onderwerp als ritueel slachten, waarmee de israëlitische en de islamitische ritus, de sjechieta en de dhabiha, onder één kopje worden samengebracht, me zo zou bezighouden. Het is geen thema dat me persoonlijk aangaat. Maar het raakt me wel, omdat het gaat over hoe we in onze samenleving omgaan met minderheden, met afwijkende praktijken – afwijkend niet in absolute zin, maar relatief: afwijkend van de toevallige meerderheid.

Met argumenten over de slacht en dierenleed heeft het allemaal weinig of niets te maken. Bart Wallet heeft mooi laten zien dat de discussie al oud is en dat er eigenlijk geen nieuwe argumenten meer bijkomen. Het punt is nu de andere afweging. Wat we nu voor onze ogen zien, is het afscheid van de zogenaamde multiculturele samenleving (waarover ik nog maar afzonderlijk iets meer moet zeggen, al heb ik er op Republiek Allochtonië ook al iets over opgemerkt). Rechten van minderheden doen er niet meer zo toe. Iedereen zal onder hetzelfde morele juk van de zelfvoldane meerderheid door moeten, dat is de nu vigerende praktijk.

De uitkomst van het debat van woensdagavond is zeer teleurstellend. Hoewel bij D66 en PvdA partijgremia zich anders uitspraken, houden de fracties hardnekkig vast aan hun standpunt. Ze blijven het contradictoire wetsvoorstelvan de Partij voor de Dieren steunen, dat doet alsof ritueel slachten ook zonder meer met bedwelming kan – quod non.

Het lijkt een blijk van goede wil dat VVD, PvdA, D66 en GroenLinks eenamendement hebben ingediend, waarbij een ontheffing mogelijk wordt ‘wanneer wordt aangetoond dat de dieren niet meer lijden dan met de toegestane reguliere slachtmethoden.’ Maar een beetje laf vind ik dit voorstel eigenlijk wel. De Kamer schuift nu de eigen verantwoordelijkheid die ze als wetgever heeft, in feite heeft af naar de belanghebbenden. Wie om een ontheffing vraagt, moet maar met de bewijslast komen. Maar als ‘onafhankelijk onderzoek’ kan uitwijzen of een voorgestelde slachtmethode niet ‘meer lijden’ oplevert, dan zou de Kamer zich daar toch ook zelf over kunnen uitspreken?

Kennelijk zijn deze partijen toch niet zo zeker van hun zaak. Het is ook allemaal lang niet helder. De basis voor een verbod is smal en er lopen op dit moment allerlei zaken. Gisteren was er een kort geding in Arnhem omtrent de Wageningse rapporten die zo’n belangrijke rol spelen. Met het amendement schuiven de partijen de verantwoordelijkheid af, ze bezorgen anderen veel werk en er kan ongelooflijk veel gesteggel volgen. Praktisch onverstandig en principieel lafhartig.

Ik weet het, dit is al mijn vierde stukje over het rituele slachten – en dan besef ik dat ik het onderwerp, toen nog nietsvermoedend, ook al eerder zijdelings heb aangeroerd.  Ik zal nu vast en zeker wel iets herhalen uit de drie eerdere stukken - De vrijheid van anderen: over ritueel slachten, godsdienstvrijheid en nog zo wat, Verschil: over Alexis de Toqueville, ritueel slachten (ja, nog eens), gelijkheid en vrijheid, en het laatste, Vrijheid van moraal -, maar tevens wil ik aantekenen dat ik me dus nu ontslagen acht van de plicht om alles aan de orde te stellen, bijvoorbeeld de vraag waarom bepaalde groeperingen zo aan hun eigen gebruiken gehecht zijn en hoe een samenleving daarop hoort te reageren. Er zijn nu twee punten waar ik op in wil gaan: de pijn van de dieren (1) en het idee van de gelijkheid (2) dat voor sommigen zo’n grote rol speelt.

Pijn

Eerst het punt van de pijn. Martijn van Dam van de PvdA verwoordde het zo:

Maar hoe diep het geloof ook is, hoe diep de overtuiging ook is dat een dier niet extra lijdt van de rituele slacht zonder verdoving, dat betekent niet dat het ook echt zo is. De techniek heeft niet stilgestaan. Wat ooit de meest diervriendelijke methode was om dieren te slachten, hoeft dat nu niet meer te zijn. We eten dieren en daarom slachten we ze. Dat is geen pretje. Maar met goede techniek zijn we in staat de dieren zo min mogelijk van de slacht te laten ervaren. En we weten uit vele onderzoeken dat grotere dieren die geslacht worden zonder verdoving voor, tijdens en na de slacht lijden. Grote stress als het dier wordt vastgezet en ondersteboven wordt gehangen, pijn als de keel wordt doorgesneden en vervolgens een doodsstrijd die in veel gevallen tientallen seconden duurt en soms zelfs oploopt tot minuten. Niemand kan daar de ogen voor sluiten.

Laten we er eens vanuit gaan dat hij gelijk heeft. Of zou kunnen hebben. Stel eens, dat bij een rituele slachting dieren net iets meer lijden, is dat dan onaanvaardbaar? Ik geloof van niet. Ik heb dat al eerder opgemerkt: de vraag is niet naar het lijden van dieren als zodanig, want in de natuur lijden dieren ook heel veel. De vraag is of mensen dieren om bepaalde redenen pijn mogen toebrengen. En of we andere mensen daarbij de wet moeten voorschrijven. Dat is een heel andere invalshoek.

Slachten is een dier doden. Het hoort bij de condition humaine. Wij mensen doden dieren om ze op te eten. Een van de grootste problemen is dat wij dat slachten heel ver hebben weggestopt. In vrijwel de hele geschiedenis jaagden mensen op wild of hielden ze er vee op na. Persoonlijk dus. Tot niet lang geleden slachtten slagers zelf en zag je in de straat hoe de koe naar de slagerij werd geleid. Nu is alles ver weggestopt in slachterijen en zien we alleen beelden op de tv.

Zelf ben ik op een boerderij opgegroeid. Als kind heb ik nog wel eens gezien hoe een kip geslacht werd – bij anderen, zelf hadden we geen kippen – en ik heb er een keer bijgestaan hoe een noodslachting werd verricht en mijn vader een koe de hals moest doorsnijden. Ik herinner me nog dat ik het mes uit de keuken op moest halen dat daar al vele jaren ongebruikt voor gereed lag. Dat is niet veel, maar het is een uiterste minimum aan ervaring, het minste dat je eigenlijk wel in je jeugd opgedaan zou moeten hebben.

Maar wat ik me bijvoorbeeld nog wel goed herinner, hoe elk jaar een eindje in de zomer de pinkstier werd afgevoerd naar het slachthuis, nadat hij zijn mannelijke diensten bewezen had. En ik herinner me hoe zo’n beest dan vaak tegenstribbelde of plat op de grond ging liggen als hij de vrachtwagen ingevoerd werd. Het was soms een behoorlijk drama. Het kan menselijke inlegkunde zijn, maar je had het idee dat het dier wist dat hem geen goed lot beschoren was en dat hij besefte dat hij zijn dood tegemoet ging. In ieder geval wist jij dat. De tragiek en de melancholie hing over zo’n gebeurtenis. Mensen horen te beseffen wat ze met beesten doen, ook als ze die opeten. Dat is een vorm van menselijkheid die nu uit het gezichtsveld is geraakt. De vervreemding van elementaire menselijke ervaringen, dat is het grote probleem hier.

Mijn vraag bij bedwelming – een merkwaardige omschrijving voor stiekem een pin door de kop schieten – is dan ook moreel. Voor wie is die bedwelming eigenlijk? Voor de dieren, om ze lijden te onthouden? Of voor de slachter, die nu efficiënt kan werken en niet met tegenstribbelende dieren in doodsangst geconfronteerd wordt? Ik ben daar niet zo zeker van. Nee, je moet een dier niet martelen, je laat het niet lijden om het lekker leed toe te brengen. Maar zo’n beest gaat dood. Mag het dan niet een aantal seconden, een aantal minuten lijden? Ik weet het niet goed, maar eigenlijk vind ik dat hele argumenten van dierenleed ongelooflijk onzuiver. Het heeft iets ongelooflijk lafs. Je doodt dus een dier om het op te eten, maar je wilt eigenlijk niet dat het dier daar iets van merkt. Worden hier niet vooral menselijke gevoelens gesust? Is het niet het ongemak dat ons verontrust? Zou je niet net zo goed kunnen zeggen dat het dier een recht heeft op een waardige en dus pijnlijke doodstrijd?

Ik vertrouw het niet en ik ben dan ook niet onder de indruk van al die argumenten over dierenwelzijn. Ik vrees dat het vooral over het slechte geweten van mensen gaat.

Gelijkheid

Een heel ander punt dat in de discussie een sterke rol speelt, is het gelijkheidsdenken. Ik geloof dat ik weinig aarzeling hoef te overwinnen om van gelijkheidsfetisjisme te spreken. Regelmatig roepen mensen dat je door een uitzondering toe te staan bepaalde mensen privileges zou verlenen. Je zou ze voortrekken. En dat mag niet, vinden ze, want iedereen hoort gelijk behandeld te worden. Maar waarom eigenlijk?

Ik neem nu even een omweg. Ik las – of in dit geval was het herlezen van wat ik al vluchtig had bekeken – een artikel over de bekende filosofe Patricia Churchland die onlangs het boek Braintrust: What Neuroscience Tells Us About Morality (Princeton University Press) publiceerde. Het is een stuk waarin al snel een hormoon als oxytocine op kunt spelen – pun intended. Het is niet het eerste waar ik aan denk als het om morele of ethische bezinning gaat, maar volgens mij komt het verhaal er gewoon op neer dat ethiek niet ergens in het luchtledige, een platonische bovenwereld bijvoorbeeld, begint, maar een kwestie is van bezinning op een praxis. Moraal is gefundeerd in de natuur. Dat is een oud idee in de ethiek, dat mensen nu eenmaal zus of zo in elkaar zitten en dat je daar rekening mee moet houden en wat Churchland naar mijn idee vooral doet, is om wat we eigenlijk op grond van alledaagse ervaring wel weten – er is iets tussen moeders en baby’s, om maar eens wat te noemen – nader wetenschappelijk uit te diepen. Interessant, zonder meer.

Het aardige en tegelijk beperkte van Churchlands verhaal is in feite dat ze wel kan aantonen dat er een biologische grondslag is voor morele gedragingen, maar dat ze uiteindelijk toch niet een hele ethiek kan funderen. Ik zou zeggen dat ethiek bestaat uit een kritische reflectie op de moraal die we al aantreffen en die zelf al een mengsel is van natuurlijke gegevenheden en de morele en ethische beslissingen van hen die ons voorgingen, en waar de normen voor die kritische, ethische reflectie dan vandaan komen, dat blijft een punt van discussie. Maar wat me aansprak, was Churchlands bevinding dat ‘moraal’ niet een zoektocht is naar ‘overarching principles but rather a process and practice not very different from negotiating our way through day-to-day social life’, althans als ik af mag gaan op de weergave van Christopher Shea. Ik citeer even een langer stukje. Churchland is eerder geneigd om wetenschappelijke auteurs aan te halen dan hedendaagse wijsgeren, vertelt Shea:

But her biocultural view is compatible, she thinks, with Aristotle's argument that morality is not about rule-making but instead about the cultivation of moral sentiment through experience, training, and the following of role models. The biological story also confirms, she thinks, David Hume's assertion that reason and the emotions cannot be disentangled. This view stands in sharp contrast to those philosophers who argue that instinctual reactions must be scrutinized by reason. The villains of her books are philosophical system-builders—whether that means Jeremy Bentham, with his ideas about maximizing aggregate utility ("the greatest good for the greatest number"), or Immanuel Kant, with his categorical imperatives (never lie!), or John Rawls, erector ofA Theory of Justice.

Volgens Shea is Churchland van mening dat ‘the search for what she invariably calls "exceptionless rules" has deformed modern moral philosophy.’ Daar heeft ze volgens mij volkomen gelijk in en dat is waar ik het hier over wil hebben, want het zijn juist de universalistische trekken die momenteel in de Nederlandse publieke discussie zo’n opvallende rol spelen. Als ik op Twitter kijk, valt me de overmaat aan apriorisme vaak op: vanuit zeer algemene principes denkt men iets te kunnen bepalen, waarbij trouwens vaak allerminst zeker is of dingen wel zo gaan werken als verwacht. Of Isaiah Berlin gelijk heeft met zijn stelling dat politieke filosofie niets anders is dan ‘ethics applied to society’ - onder meer in The Crooked Timber of Humanity. Chapters in the History of Ideas (1991), maar volgens mij zei hij het vaker -, weet ik niet helemaal goed, maar de structuur van rederingen en argumentaties is in ieder geval wel gelijk en daarom kunnen we ons Churchland’s waarschuwende opmerkingen goed aantrekken als het om wetgeving en politiek gaat.

In de discussie over ritueel slachten speelt een populaire vorm van utilisme –voorkom lijden – een grote rol en die wordt dan komisch genoeg met een kantiaanse rücksichtlosigkeit toegepast. Maar het lijkt me nou net dat die twee ethische systemen veel te ver van de dagelijkse praktijk afstaan, en dat een verwijzing naar prudentie en gevoel, naar Aristoteles en Hume, veel adequater is om te begrijpen waar het in ethiek over gaat. Waar komt dan toch die zo benadrukte gelijkheidsregel vandaan?

Vaak wijst men op het eerste artikel van de Nederlandse Grondwet, maar ik geloof niet dat dat zo bedoeld is. Kijk, maar eens in allerlei wetten. Die zijn vaak ongelooflijk gedetailleerd. Met een verwijzing naar de gelijkheidsregel kom je bij het opstellen echt nergens. Als dat zo was, kon je waarschijnlijk volstaan met een boekje van honderd bladzijden voor de volledige wetgeving. Je stelt wat algemene regels op en je bent er, de rest wijst zich vanzelf. Toen de nu vigerende herziening formulering van de Grondwet werd opgesteld, bestond de wetgeving over slachten ook al, met al heel lang de ‘uitzondering’ voor de israëlitische ritus, waar dan in de jaren zeventig de islamitische bijkwam. Nooit heeft men daarin strijd gezien met dat grondwetsartikel. In de Grondwet komt het instituut van het koningschap voor. Ook dat is niet verenigbaar met een heel erg brede interpretatie van de gelijkheidsregel. Maar zo is die constitutionele regel nooit bedoeld. Het is geen regel voor het opstellen van wetten. De gedachte is dat als wetgeving er eenmaal is, die gelijkelijk moet worden toegepast, althans in gelijke gevallen.

Er is geen enkele reden om in de wetgeving geen rekening te houden met de specifieke wensen van bepaalde groepen. Concrete problemen vergen concrete oplossingen. Dat is waar Churchland terecht op wijst. Zo werkt moraal en zo werkt ook politieke moraal. Van privileges is bovendien op geen enkele wijze sprake. Er zijn gewoon drie vormen van slachten toegestaan: algemeen bedwelmd (al dan niet in massaproductie), de israëlitische ritus en de islamitische ritus. Iedereen kan alle drie soorten vlees kopen. Iedereen kan bij de islamitische slager bij mij in de straat terecht om vlees te kopen met het predicaat halal. Iedereen is in dat opzicht volkomen gelijk.

Ook vanuit een andere invalshoek is er geen ongelijkheid. Mensen willen vlees eten. Welnu, sommige mensen kunnen, als ze hun levenswijze volgen, alleen vlees eten dat kosjer of halal is. Een andere optie is er voor hen niet. Niet alle mensen zijn gelijk. De zogenaamde ‘uitzonderingen’ zorgen er alleen maar voor dat iedereen het vlees kan kopen dat naar zijn wens is. Maar mensen die uitsluitend kosjer of halal verkiezen, hebben geen optie extra, geen privilege dat ik niet heb. Ik kan kiezen: ik kan besluiten om vlees te kopen dat kosjer of halal of dat dat niet is. Maar sommige mensen kunnen maar één soort kiezen. Zij hebben dus zelfs minder opties dan ik heb. De zogenaamde uitzondering heft alleen maar praktisch optredende ongelijkheid op.

Een laatste grappig misverstand vond ik in een stukje van Thijs Kleinpaste. Hij meent dat de huidige wetgeving discrimineert:

Daarin staat letterlijk dat het verbod niet geld voor de 'islamitische of israëlitische ritus'. De ongelijkheid tussen gelovigen en niet-gelovigen zwart op wit in de Nederlandse wet.

Ja, het staat er echt. Ik neem aan dat het niet om kwaadwillendheid, maar om onnadenkendheid gaat. Even niet goed uit zijn doppen gekeken. Het is natuurlijk feitelijk niet waar. Het gaat om de israëlitische en de islamitische ritus en bij mijn weten hoeft in ieder geval in het laatste geval de slachter geen gelovige moslim te zijn, maar daarin kan me vergissen; het gaat erom dat hij de juiste woorden uitspreekt. Maar er is natuurlijk geen scheiding want iedereen kan hetzelfde kopen en die zogenaamde scheiding ligt al helemaal niet tussen gelovigen en ongelovigen. Christenen, hindoes en boeddhisten hebben geen directe behoefte aan vlees dat volgens islamitische of israëlitische ritus geslacht is. En nogmaals, niemand wordt voorgetrokken; er wordt alleen tegemoet gekomen aan wat voor bepaalde mensen anders een probleem zou zijn. Dat is het soort praktische probleemoplossing waarin – zie Churchland – de kern ligt van verstandige ethiek en politieke filosofie. Als groepen op geheel andere gronden problemen hebben, probeer je daar als wetgever ook rekening mee te houden, als dat een beetje gaat.

Er is geen sprake van privileges. Het is omgekeerd. De staat is zich op een gegeven moment gaan bemoeien met zaken die vroeger vrij waren. Daarbij kwamen bepaalde mensen in het gedrang en met hen is rekening gehouden. Dat is praktische politieke wijsheid. En er is geen enkele reden om vanuit een fetisjistische hang naar gelijkheid, die trouwens praktisch helemaal geen gelijkheid is, maar juist ongelijkheid en onvrijheid betekent, daar nu mee op te houden. Waarom verbieden als je iets praktisch op kunt lossen?

*

Het is nu vooral de vraag wat de Eerste Kamer gaat doen. Het wetsvoorstel van de Partij van de Dieren is in strijd met een belangrijk grondrecht en met de vrijheid die de Grondwet juist wil garanderen. Gunnende vrijheid staat tegenover inperkende gelijkheidswaan. Het lijkt me waarschijnlijk dat dechambre de réflexion inderdaad wat breder kijkt en het voorstel afwijst. Men zal niet zo gauw tegen de Raad van State ingaan, vermoed ik. Ik hoop het in ieder geval.

De grote vraag blijft ondertussen hoe het verder gaat met de vrijheid van minderheden. Zullen ze verder ingeperkt worden? Grijpt het o zo simpeleverbodsinstinct, dat zo verbreid is, dat je haast zou denken dat ook dat diep in de biologische constitutie van mensen geworteld is, verder om zich heen? Of komt er een moment van bezinning? Ik weet het, over grenzen valt altijd te praten. Je kunt nooit absoluut aangeven waar ze liggen. Maar het zou een goed idee zijn als de Staten-Generaal tot de slotsom zouden komen dat het inperken van bestaande vrijheden alleen op uiterst dringende gronden dient te gebeuren. Een moratorium inzake verbieden zou wenselijk zijn.

Maar of die praktische wijsheid in Den Haag nog te vinden is?

Jan Dirk Snel is filosoof. Dit artikel is eerder op zijn weblog verschenen en met toestemming van Jan-Dirk Snel ook op Republiek Allochtonië geplaatst. Eerdere artikelen van Jan Dirk Snel op Republiek Allochtonië leest u hier

Meer artikelen in het dossier ritueel slachten

 

 


Meer over jan dirk snel, ritueel slachten.

Delen:

Reageer




Reacties


Daphne - 26/06/2011 13:52

Wat een helder en goed stuk, Jan Dirk.

Het is mij ook opgevallen dat velen het in de slacht-discussie hebben over de privileges die moslims en joden zouden genieten, omdat ze onverdoofd kunnen slachten. En een ander punt dat me opviel is inderdaad dat er voor slechts een enkeling in het debat een verschil bestaat tussen de handeling, en wat iemands morele oordeel erover is, en de noodzaak een juridisch verbod uit te vaardigen voor die handeling. Het een volgt niet automatisch uit het ander, maar slechts in GroenLinkse kringen was hier enige aandacht voor.
Het argument dat de overheid terughoudendheid moet betrachten in de beperking van de vrijheid lijkt ook van tafel geschoven. Niet langer relevant, terwijl het een principe is waar onze rechtstaat al eeuwen op rust.

Rabbijn Van de Kamp vertelde me dat hij in de jaren '80, als rabbijn in Den Haag, weer eens te maken kreeg met een poging van de Dierenbescherming om de slacht te verbieden. Hij sprak met de vertegenwoordigster van de CDA-fractie op dit dossier en zij zei tegen hem: Nederland hoeft toch niet naar de pijpen van de joden te dansen? Alsof het laten voortduren van het recht, en daarmee van de status quo, een knieval van de rest van Nederland voor de joden zou zijn. Het ging toen allemaal niet door, maar hij heeft dit wel onthouden.
Het privilege verhaal heeft nu, twintig jaar later, waarschijnlijk veel meer te maken met een gepercipieerd gevoel van ongelijkheid tussen gelovigen en ongelovigen, omdat de gelovigen dankzij de vrijheid van godsdienst nog enkele instituties en instellingen hebben weten te bewaren. De bijzondere scholen, RK bejaardentehuizen etc, die in de ogen van velen meer geld of steun ontvangen dan openbare instellingen. Velen zijn niet in staat het verschil te zien tussen de RK-kerk, de PKN, en een islamitische slager, en gooien alles op één hoop. Dat de KRO en NCRV nog steeds bestaan, is eenzelfde doorn in het oog als de weigerambtenaren en de kosjere slacht. Alles is één. De intellectuele moed ontbreekt om deze zaken te ontvlechten.

Het is interessant te zien hoe de weerzin van de Nederlander is gegroeid tegenover religieuze uitingen, instellingen en vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen. In elk geval die Nederlander die zich in deze discussie heeft gemengd. Ik denk zelfs dat die weerzin een nog grotere rol speelt dan de liefde voor dieren waaraan zo wordt geappelleerd en gerefereerd.
Misschien denkt men dat de victorie tegen de laatste resten uiterlijke godsdienstigheid hiermee begint, en dat de bijzondere scholen, weigerambtenaren, verzuilde verpleegtehuizen, euthanasie weigerende artsen etc zullen worden weggebulldozerd. Ik denk dat dat echter een illusie is, en dat velen nog van een koude kermis gaan thuiskomen. De grotere christelijke instituties zijn veel machtiger dan de joden en moslims samen, en vertegenwoordigen veel grotere belangen.

En zelfs al zou deze revolutie slagen, wat volgt er dan?