Niet alleen verhalen van oud-IS-strijders doen ertoe in strijd tegen radicalisering

In opinie door Jacomijne Prins op 02-10-2015 | 11:41

Door: Jacomijne Prins

De Nederlandse overheid zoekt naar een ‘contra-narratief’ om jongeren te ontmoedigen deel te nemen aan de strijd van IS. Waar ze zich beter mee bezig kunnen houden is de vraag waarom Nederlandse jongeren behoefte hebben aan het ‘één voor allen-allen voor één’-verhaal van IS.

Volgens het Centrum voor onderzoek naar Radicalisering (ICSR) van het King’s College in Londen doen voormalige IS-strijders op internet steeds vaker hun verhaal over hun desillusies, over de redenen waarom ze van de strijd zijn afgehaakt. Dergelijke getuigenissen zouden potentiële strijders kunnen ontmoedigen de stap naar het strijdperk te zetten.

Het thema ‘radicalisering’ staat al een tijd hoog op de agenda van de Nederlandse overheid. Terecht: het is onwenselijk dat Nederlandse jongeren naar een oorlogsgebied vertrekken, en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid getraumatiseerd terugkomen, of soms helemaal niet terugkomen. In de strijd tegen radicalisering wordt in beleidskringen gesproken over het ontwikkelen van een zogenaamd ‘contra-narratief’, een verhaal of ideologie die gesteld kan worden boven het voor jongeren aantrekkelijke ‘één voor allen, allen voor één’-verhaal van IS. Wat beleidsmakers hierbij lijken te vergeten, is dat het verhaal van IS in feite al een ‘contra-narratief’ is.

Van een contra-narratief is sprake wanneer mensen zich niet langer herkennen in de voor hen beschikbare dominante verhaallijnen. Jongeren die zich niet herkennen in de Nederlandse geschiedenis, die terugschrikken van publieke discussies over wie er wel en niet als Nederlander kwalificeert, die zich keer op keer moeten verdedigen voor hun etnische en religieuze achtergrond, lopen het risico niet langer een plek voor zichzelf te herkennen in dominante verhaallijnen over wat het betekent om Nederlander te zijn. Zij hebben behoefte aan een contra-narratief, een nieuw verhaal waarin zij zich beter kunnen herkennen, waarin ze als geboren of bekeerde moslims hun plek niet hoeven te veroveren. IS biedt hen dat narratief. In plaats van aandacht te besteden aan het bestrijden van het ene contra-narratief met het andere contra-narratief, zou het helpen als beleidsmakers zich richten op het gevoel van onbehagen en het gebrek van herkenning dat jonge moslims voelen als zij luisteren naar discussies over de ‘Nederlandse identiteit’.

Dat radicalisering een probleem is, en dat er alles aan gedaan moet worden om jongeren die radicaliseren op te sporen en aan te pakken, moge duidelijk zijn. Tegelijkertijd zijn er veel jonge moslims die niet radicaliseren. Terwijl zij blootgesteld worden aan hetzelfde onbehagen als de jihad-ganger, zoeken zij naar andere, geweldloze manieren om met dit gevoel om te gaan. Deze jongeren gaan steeds vaker op zoek naar nieuwe verhaallijnen die hun aanwezigheid in Nederland wel recht doen. Voorbeelden daarvan hebben we recentelijk voornamelijk gezien in het theater. Met een voorstelling als ‘Mijn vader de expat + Oumi’ (mijn moeder), geven documentairemaker Abdelkarim El-Fassi en acteur Nasrdin Dchar gestalte aan een verhaal dat voor jongeren met een achtergrond van migratie wel herkenbaar is.

Dat jongeren teleurgesteld zijn in hun ervaringen in het kielzog van IS, en daar hun verhaal over doen, is prettig. Deze verhalen zullen twijfelaars of gelukzoekers wellicht demotiveren om de stap naar het strijdperk te zetten. Maar wat we niet moeten vergeten, is dat de aantrekkingskracht van IS deels voortkomt uit een gebrek aan herkenning in de Nederlandse maatschappij zelf. Nederland is al een tijd toe aan een nieuw, meer inclusief, verhaal over wat ‘Nederlander zijn’ betekent, wie er wel en niet recht hebben zich tot deze categorie te benoemen. Jongeren met een moslim-/ migratieachtergrond eigenen zichzelf hierin steeds vaker een rol toe. Niet alleen naar de verhalen van voormalige IS-strijders, maar ook naar hún verhalen zou geluisterd moeten worden.

Jacomijne Prins is Universitair Docent aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen, afdeling Sociologie, VU Amsterdam

Lees het onderzoek van het ICSR hier

Meer over radicalisering op dit blog hier



Volg Republiek Allochtonië op
twitter of like ons op facebook.

 
Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook!




Meer over contra-narratief, icsr, is, jacomijne prins, radicalisering.

Delen:

Reageer




Reacties


John Dubbelboer - 09/10/2015 19:51

Alweer een bijdrage met als vertrekpunt geradicaliseerde moslimjongeren en alweer die boodschap dat "wij" ons bepaalde zaken moeten aantrekken. Deze bijdrage van Prins is helaas net iets te modieus.
Om te beginnen speelt hier de bekende onrechtvaardigheid van de schoolklas. Een paar druktemakers eist de aandacht op van de juf en van subsidieverstrekkende bestuurders, de brave rest heeft er last van maar moet het toch zelf uitzoeken. Zo dus ook de Syriëganger en de thuisblijvende allochtone jongeren die met andere zaken bezig zijn en het niet gemakkelijk hebben.
Verder wordt die hele gang naar Syrië veel te veel gezien als een pathologie met een bijbehorende remedie. De remedie van Prins is dat er een narratief ontstaat waarin moslimjongeren hun identiteit kunnen herkennen. Identiteit is eigenlijk een rechts begrip. Dat heb je er van als je te veel "luistert" naar discussies over het Nederlanderschap.
Als Prins moslimjongeren citeert dan zeggen ze het gevoel te hebben voortdurend hun religieuze achtergrond te moeten verdedigen.
We kennen de manier waarop Nederland als protestantse natie werd neergezet en het spijt ons voor de katholieken maar ook zonder protestants narratief is het tot op de dag van vandaag aanvaard om het katholicisme te ridiculiseren. Katholieken zeuren niet over het dominante narratief van een protestante natie maar besluiten hun eigen "poppenkast" en "bijgeloof" met relikwieën te verlaten. Moslims leggen in de visie van Prins wel een relatie met eenzijdige narratieven. Zij raken daarmee de eeuwige grondtoon van de verongelijktheid. Maar veel interessanter is dat niet eenzijdige narratieven de kraamkamer van IS-strijders zal zijn maar meer de omstandigheid dat Moslims gevangen zitten in een systeem waarin geloofsafval ernstige sociale consequenties heeft.
Wie als soenniet geboren is, is gewoon een soenniet en is tegen Assad. Het afreizen naar Syrië heeft meer machinale kenmerken dan de werking van eenzijdige narratieven. En dan nog. Waarom kan het strijden aan de zijde van IS ook niet een keer gezien worden als het ultieme religieuze heroïsme waarbij het eigen leven wordt ingezet?
De algemeen bestaande angst voor IS maakt het kennelijk aantrekkelijk om een eigen dingetje te doen als remedie tegen IS, dit keer dus een rondje narratieve sociologie.