Methodologische en ethische kanttekeningen bij proefschrift over salafistische jongeren

In opinie door Martijn de Koning, Annelies Moors, Thijl Sunier op 21-09-2018 | 11:51

Ongeveer twee weken geleden promoveerde Mohammad Nazar Soroush op het proefschrift ‘Institutionele reproductie van salafistische jongeren in Nederland.’ Het onderzoek heeft veel aandacht in pers en politiek gekregen mede door de vele mediaoptredens van Soroush samen met zijn co-promotor Jan Jaap de Ruiter. Tijd voor een bespreking.

De vraagstelling van het onderzoek is hoe de institutionele reproductie van het salafisme plaatsvindt. Daarvoor onderzoekt Soroush salafistische moskeeën en stichtingen en ‘de vrije tijd’ van jonge moslims. Hij doet dit op basis van participerende observatie, informele gesprekken en een documentenstudie op Internet.  De data zijn in een logboek vastgelegd dat als bijlage is toegevoegd; het proefschrift omvat 115 pagina’s (inclusief woordenlijst en literatuurlijst), het logboek 89.

Soroush richt zich met name op de organisatie van godsdienstige activiteiten en op de houding en opvattingen van jongeren van 18-25 jaar.  Na een inleiding en een methodologisch hoofdstuk gaat hij eerst in op diverse praktijken van de verschillende moskeeën die hij bezocht heeft: de inrichting van een moskee, preken, dagelijkse gebeden en smeekbedes en het adviseren. In het volgende hoofdstuk bespreekt hij enkele specifieke organisaties: Islamitische Stichting voor Opvoeding en Overdracht van Kennis (ISOOK), Stichting alFitrah, en Stichting Al-Yaqeen. Hij bespreekt het onderwijs, de missie praktijken, emotionele beleving, de aanwezigheid op internet en de positie van vrouwen. In het vijfde hoofdstuk volgt dan een beschrijving van religieuze praktijken in de vrije tijd, variërend van feesten, kamperen, bazaars en evenementen specifiek voor vrouwen en voor jongeren, en de rol van vriendschappen.  In de conclusie omschrijft hij het salafisme als een ‘gemeenschap in een als vijandig beleefde wereld.’

We gaan hieronder eerst in op ethische en methodologische aspecten van het onderzoek, en vervolgens op de plaats van dit proefschrift in wetenschappelijke discussies over het salafisme.

Methoden en werkwijze: bezoeken, gesprekken en een logboek

Wat verstaat de onderzoeker in de praktijk onder participerende observatie en informele aspecten? Wat voor activiteiten heeft de onderzoeker ondernomen?  In de media wijst de co-promotor erop dat dit toch wel een bijzonder onderzoek is. De onderzoeker heeft drie jaar lang onderzoek gedaan. “Ik denk niet dat het nog een keer gaat lukken om een onderzoeker zo diep in die gemeenschap te laten komen”, zo zegt De Ruiter bij EenVandaag. Wat zegt de onderzoeker hierover in het proefschrift? Hij heeft zeventien moskeeën en stichtingen bezocht, die hij als salafistisch aanduidt. Daar heeft hij deelgenomen aan activiteiten, met name het vrijdagmiddaggebed, maar hij heeft bijvoorbeeld ook cursussen gevolgd. Het zou gaan om meer dan honderd bezoeken in de periode tussen maart 2013 en januari 2016. Dat zijn dus gemiddeld rond de drie bezoeken per maand.  Nu kan het best dat de promovendus naast zijn onderzoek nog andere verplichtingen had, maar om dit nu drie jaar lang onderzoek te noemen wekt toch een andere indruk. Bovendien blijkt het daarbij eigenlijk vooral om een moskee en een stichting te gaan, waar hij regelmatig over de vloer kwam: Hij is meer dan 40 maal aanwezig geweest in de As-Soennah moskee in Tilburg en bij de Stichting alFitrah in Utrecht; alle andere locaties zijn maar enkele of zelfs maar een keer bezocht.

Wat voor materiaal leveren deze bezoeken dan op? De onderzoeker luisterde naar de predikers, maar het ging hem vooral om ‘te achterhalen in hoeverre jongeren politiek geëngageerd waren, hoe zij de toekomst zagen, wat zij als prettige momenten in hun leven ervoeren, hoe zij over de samenleving dachten, in welke mate zij gehoorzaamden aan hun geestelijken, wie als vriend dan wel vijand gezien werd, wie als zondebok van alle ellende in de moslimwereld werd aangevoerd en hoe zij dachten over de sektarische conflicten in het Midden-Oosten, vrijetijdsbesteding en toekomst-perspectieven’. Dat is een groot aantal, veelomvattende vragen. De verwachting is dan dat daarover uitvoerig met de jongeren is gesproken. Hoe heeft de onderzoeker dit aangepakt?

Hij heeft ongeveer 27 informele gesprekken gevoerd, die niet zijn opgenomen en waarvan ter plekke geen aantekeningen zijn gemaakt, want dat zou mensen maar wantrouwend maken. De eerste vraag die opkomt is hoe het mogelijk is dat iemand meer dan 100 keer een moskee of stichting bezoekt en slechts 27 informele gesprekken voert. Iedereen die weleens een moskee bezoekt of een cursus volgt, weet dat er altijd ruimte is om met elkaar te praten, en dat je wel heel erg je best moet doen om niet in gesprekken betrokken te worden. In het geval van as Soennah in Tilburg ging het slechts om een gesprek. Bij alFitrah in Utrecht werden de meeste gesprekken gevoerd, een tiental.

Wat wordt hierover gemeld in het logboek? Het logboek lijkt niet al het materiaal te bevatten. Het gaat om verslagen van ongeveer de helft van de bezoeken van de onderzoeker. Wellicht hebben de andere bezoeken geen data opgeleverd. Wat vertelt het logboek ons over die bezoeken? Het lijkt vooral een lijst met tijd en plaats van bezoeken, met korte samenvattingen (variërend van een alinea tot drie-en-een-halve pagina) over wat er gezegd is. Echte veldwerkbeschrijvingen ontbreken vrijwel geheel. Uit de korte samenvattingen van de gesprekken wordt wel duidelijk dat er vaak niet is doorgevraagd. Hierover later meer. Onze kritiek is niet dat er maar met een beperkt aantal mensen is gesproken. Er zijn goede proefschriften geschreven op basis van gesprekken met een klein aantal respondenten. Maar… dan gaat het wel om uitgebreide, vaak herhaalde gesprekken waarbij een uitgewerkte transcriptie of verslag toch al snel tientallen pagina’s omvat en citaten letterlijk worden weergegeven, waaruit duidelijk wordt dat er eerst wordt geluisterd en dan wordt doorgevraagd, waarbij de context en achtergrond van de persoon worden geschetst, etc. Er is natuurlijk ook een vorm van onderzoek waarbij korte informele gesprekken een belangrijk onderdeel van het veldwerk zijn, maar dan gaat het toch om veel grotere aantallen, met uitvoerige beschrijvingen van de context.

Ethiek en zelfreflectie: positie als onderzoeker

Een deel van het probleem lijkt vooral te liggen aan de wijze waarop de onderzoeker zich heeft opgesteld bij het onderzoek doen. Er wordt nergens expliciet ingegaan op de vraag of hij aan zijn gesprekspartners duidelijk heeft gemaakt dat hij onderzoeker was.  Zijn tegenzin om aantekeningen te maken lijkt aan te geven dat hij dat niet heeft gedaan. En inderdaad, in de media hebben de onderzoeker en co-promotor laten weten dat het om undercover onderzoek ging.

Het is nogal bijzonder om dit soort onderzoek undercover te doen. Ethische richtlijnen gaan ervan uit dat onderzoekers toestemming vragen aan de participanten (‘informed consent’). Daar lijkt hier geen sprake van te zijn geweest, en de ethische paragraaf van een halve pagina geeft daarover geen uitsluitsel. Nu is er natuurlijk wel een grijs gebied, maar mensen zouden toch wel op de hoogte moeten zijn van het feit dat ze onderdeel van een onderzoeksproject zijn. Inderdaad, dat kan invloed hebben op wat mensen al dan niet vertellen. Maar je aanwezigheid heeft altijd effect, ook als je je niet als onderzoeker kenbaar maakt. Dat blijkt ook wel uit wat de onderzoeker daarover schrijft. Soms werd hij als spion gezien (juist als je probeert onderzoek te doen zonder daar open over te zijn loop je al snel dat risico, want wie stelt er nu zulke vragen…). Bovendien blijkt dat de onderzoeker wel liet weten sjiiet te zijn. Het punt is hier dat er toch tenminste besproken zou moeten worden, wat de legitimatie was om undercover onderzoek te doen, en hoe dat het onderzoek heeft beïnvloed. Hetzelfde geldt voor zijn eigen religieuze positie. Het argument is niet dat een sjiiet geen onderzoek kan doen onder  salafisten, het gaat erom dat er geen enkele reflectie is op hoe dit het onderzoek kan hebben beïnvloed, en welke strategieën de onderzoeker heeft gevolgd om daarmee om te gaan.

Hetzelfde geldt voor geslacht en leeftijd. Uit het logboek blijkt dat een substantieel aantal vrouwen deelneemt aan de activiteiten van salafistische moskeeën en stichtingen, maar er is geen vrouwelijke respondent te vinden. Gelden de algemene uitspraken over salafisten dan wel voor vrouwen met wie in het geheel niet gesproken is? Alweer, het niet benoemen van dit soort kwesties is het probleem. Dat geldt ook voor de leeftijd van de onderzoeker. Hij lijkt veel ouder dan de ‘jongeren’  die de focus van het onderzoek zijn. Heeft dat invloed gehad op de ‘dataverzameling’?  Kon hij daardoor wellicht moeilijk aansluiting vinden?

Wetenschappelijke discussies over het salafisme

Er is de laatste decennia in Europa veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar organisaties en individuen die een salafistische oriëntatie op de islam zeggen te volgen. De literatuurlijst is echter zeer mager. Vrijwel alle internationale publicaties van Nederlandse onderzoekers ontbreken. Dat geldt ook voor het gros van de Engelse en Scandinavische publicaties. Met name het ontbreken van de laatsten is een probleem, want juist het werk van wetenschappers als Annabel Inge en Susanne Olsson richt zich op de samenhang tussen institutionalisering en praktijken, het theoretisch kader van het onderzoek.

De literatuur die wel gebruikt wordt (zoals Becker, Geelhoed, De Koning en Roex), wordt slechts kort behandeld. Vooral in het geval van het werk van Becker is dat opmerkelijk, aangezien zij (deels) hetzelfde onderzoeksperspectief als de onderzoeker hanteert.  Zijn claim dat hij deels aansluit bij de bestaande literatuur, maar ook (naar eigen zeggen althans) tot andere interpretaties komt, is niet onderbouwd. Er is geen engagement met de academische en religieuze discussies over de term ‘salafisme’ en evenmin met de bestaande kritiek op de driedeling a-politiek, politiek, en jihadistisch salafisme. Ook wordt er nauwelijks verwezen naar de politieke discussies en het beleid aangaande het salafisme. Daarmee wordt het  behandeld als een op zichzelf staand verschijnsel. Dat is een probleem, want religiositeit en de institutionalisering van religie worden altijd medebepaald door de politieke omgeving.

Een onderbouwing voor de conclusie dat ‘het salafisme’ een politiek model presenteert, ontbreekt.  Die is waarschijnlijk het resultaat van het feit dat de onderzoeker een specifieke groep organisaties heeft geselecteerd die bijna allemaal politiek-maatschappelijk actief zijn. De netwerken die daar afstand van nemen zijn niet in het onderzoek opgenomen. Bovendien blijkt uit het logboek, dat de onderzoeker zelf vaak politiek getinte vragen stelde. Het is dan niet verwonderlijk dat er dan politiek getinte antwoorden komen. Overigens zijn ook de overwegingen om organisaties als salafistisch te bestempelen onduidelijk.  Zo staat bijvoorbeeld het Islamitisch Centrum Imam Malik uit Leiden op de lijst van salafistische moskeeën, en wordt prediker Said ElMokadmi ook als zodanig aangeduid. De laatste schrijft zichzelf echter toe aan de tablighi traditie en het ICIM volgt de Malikitische rechtsschool. Dat vereist toch wel enige uitleg… Zo verliest de term salafisme zijn onderscheidend vermogen.

Tenslotte de kwestie van loyaliteit. De onderzoeker verwijst naar het proefschrift van De Koning uit 2008 om te stellen dat ‘salafisten’ niet loyaal naar de samenleving zijn. Maar zijn enige onderbouwing is dat salafisten afstand zouden houden van de samenleving. Waarom is dat noodzakelijk een teken van gebrekkige loyaliteit aan de samenleving en wat is loyaliteit dan precies?  Maar er zijn nog andere problemen: De Koning heeft het over een ander soort loyaliteiten (veel meer alledaags en in het meervoud), het proefschrift van De Koning gaat helemaal niet (exclusief) over salafisten, en het heeft betrekking op een andere categorie respondenten: tieners. Om het nog verwarrender te maken, de onderzoeker claimt tegelijkertijd in de media dat er ook salafisten gewoon voor de overheid werken. Over hen speculeert hij dat ze weleens gevoelige informatie zouden kunnen doorspelen. Kortom, het is niet goed of het deugt niet. Salafisten die meedoen infiltreren en zij die niet meedoen segregeren, maar een probleem zijn ze altijd. Zo verwordt een discussie die zou moeten gaan over salafisme eigenlijk tot een discussie over wat loyaliteit precies is en wat voor samenleving we willen. Een relevante discussie, maar niet het onderwerp van onderzoek.

Niet ieder proefschrift hoeft een meesterwerk te zijn; er zijn wel meer zwakke proefschriften. Waarom dan toch hier aandacht aan besteden?  Vanwege de enorme kloof tussen enerzijds een proefschrift dat de onderzoeker zelf als exploratief kenschetst, en de wijze waarop de co-promotor en de promovendus het zelf inzetten in publieke debatten. Zo wordt het bij EenVandaag het grootste veldwerk tot nu toe naar de invloed van het salafisme op de integratie van Nederlandse jongeren genoemd. Ze komen met zware claims over de gevaren van het salafisme, waar inmiddels al door beleidsmakers, gemeenteraadsleden en parlementariërs naar verwezen wordt. Met alle gevolgen van dien voor hun respondenten.

Feitelijke onjuistheden hebben de respondenten dan ook niet kunnen verbeteren. We noemden al de omschrijving van ICIM als salafistisch. Slechts enkele andere voorbeelden: Er was volgens BewustMoslim, helemaal geen bijeenkomst op 18 mei 2014 in de Al-Amal moskee, de omschrijving van het logo van die moskee klopt niet, de beschrijving van de indeling van het Islamitisch Centrum Imam Malik in Leiden is onjuist en de weergave van de lezing van Said ElMokadmi in die moskee is incorrect.

Het is curieus dat de promotor van het proefschrift, prof. Ruben Gowricharn  geheel onzichtbaar blijft. Het zijn immers de begeleiders die de onderzoeker hadden moeten wijzen op de methodologische en ethische problemen van zijn werkwijze. Het is vooral De Ruiter die van zich laat horen. Nu komt het wel vaker voor dat een co-promotor veel van het begeleidingswerk doet, maar in dit geval zal de co-promotor ongetwijfeld kundig zijn op het terrein van zijn vakgebied, de Arabistiek, maar toch werkelijk niet op het terrein van sociaalwetenschappelijke onderzoeksmethoden, en blijkbaar evenmin van de ethische kwesties die daarbij spelen.


Zie ook het artikel in Trouw: Fundamentele kritiek op studie naar salafistische moskeeën


Dit artikel van Martijn de Koning (Universiteit van Amsterdam / Radboud Universiteit Nijmegen), Annelies Moors (Universiteit van Amsterdam), Thijl Sunier (Vrije Universiteit van Amsterdam) verscheen eerder op Closer het weblog van Martijn de Koning

Zie ook:

Meer artikelen over salafisme

 

Wilt u dat Republiek Allochtonië blijft bestaan? Waardeert u ons vrijwilligerswerk? We kunnen uw steun goed gebruiken. U kunt Republiek Allochtonië steunen en een klein (of groot) bedrag doneren (nu ook via I-deal)

Neem een abonnement op onze dagelijkse nieuwsbrief: Subscribe to Republiek Allochtonië by Email


Meer over salafisme.

Delen:

Reageer