Kamerleden van islamitische achtergrond laten achterban in de steek

In opinie op 28-09-2011 | 07:20

Tekst: Wasif Shadid

Nationale en internationale gebeurtenissen zorgen regelmatig voor verhitte discussies en verharding van standpunten over de positie van islam en moslims in de Nederlandse samenleving. De verharding is niet alleen beperkt tot Wilders en zijn PVV. Politici, publicisten, en wetenschappers van verschillende politieke stromingen verdringen zich in de media om onder het motto van het doorbreken van taboes diskwalificerende opmerkingen te uiten. Recente gebeurtenissen die tot commotie hebben geleid betreffen echter vooral uitlatingen van Wilders over moslims als ‘tsunami’ en ‘stemvee’ en zijn typering van moskeen als ‘haatpaleizen’.
Tot een inhoudelijk weerwoord tegen zijn anti-multiculturalisme kwam het echter niet, ook niet door de 16 Kamerleden van niet-westerse afkomst, en in het bijzonder die van islamitische achtergrond onder hen.

Laatstgenoemden hebben, op een enkele uitzondering na, verzuimd om de inhoudelijke leegte te benutten om in het integratie- en islamdebat een centrale en constructieve rol te gaan spelen. Daar waar het wel gebeurde was de inbreng minimaal, bedenkelijk en niet opbouwend. Een en ander wordt voor sommigen politici die media-aandacht kregen hieronder met een enkel voorbeeld geïllustreerd.


Çörüz van het CDA verdedigde op het partijcongres de beoogde gedoogconstructie met de PVV kort maar vurig. Hij hield een pleidooi voor samenwerking met een beweging die de aanwezigheid van moslims in Nederland en dus die van hemzelf als een politieke dwaling ziet, de islam gelijk stelt aan achterlijkheid en moslims als derde colonne beschouwt. Zo’n houding heeft veel weg van zelfkastijding.

PvdA Kamerlid Marcouch benadrukte dikwijls het gebrek aan aanpassing van zijn achterban, verscherpte het radicaliseringvraagstuk, wilde een moderne vorm van islam op openbare scholen promoten en was voorstander van het verbod op ritueel slachten. Daarnaast verklaarde hij de problemen die enkele jongeren in Helmond en Gouda veroorzaken door verwijzing naar hun Marokkaanse cultuur. Over de hele linie ging hij voorbij aan de sociaal economische fundering van ontsporing, met andere woorden aan de invloed van werkloosheid, discriminatie en uitsluiting daarop.

Ook de lancering van de website 'fitalfatwa' als waardig eerbetoon aan slachtoffers van 11 september door Tofik Dibi van GroenLinks kan als negatief worden getypeerd. Daarmee wekte hij zonder fundering ten onrechte de indruk dat islamitische jongeren niet alleen belijdend zijn maar ook in sterke mate georiënteerd op de islamitische wereld en ‘fatwas’ van conservatieve imams kritiekloos uitvoeren. Qua strekking en effect van misleiding kan dat initiatief op een lijn worden gesteld met de verwijzing van pvv- aanhangers naar islamitische termen als 'dhimie' en 'takkeya' in de Nederlandse context. Termen die nauwelijks bekend zijn bij moslims en die alleen angst en vijandbeelden oproepen.

Het negatief afschilderen van de eigen cultuur en achterban in situaties van onderschikking zoals hierboven is beschreven wordt in het boek Black Skin, White Masks van de Franse psychiater Frantz Fanon getypeerd als ‘de internalisering van inferioriteit’. Daarvan is volgens hem sprake wanneer mensen niet alleen de opgedrongen gedachte van achterlijkheid van hun cultuur accepteren, maar die ook in eigen opvattingen gaan verwerken en verder verspreiden.

Naast hun bijdrage aan stigmatisering maken genoemde allochtone politici zich ook indirect schuldig aan een vorm van kiezersmisleiding. Wat belangenbehartiging betreft blijven ze in gebreke en ze vertolken ook niet de allochtone stem, maar een echo van autochtone critici. Ze maken als het ware een knieval voor het heersende populisme door kern-aspecten van de eigen identiteit zoveel mogelijk proberen te camoufleren. De symboliek die hiervan uitgaat, is er vooral een van marginalisering en gebrek aan erkenning van de achterban. En zo verwordt een politiek proces dat aanvankelijk symbool was voor emancipatie en politieke betrokkenheid van minderheden tot een stigmatiseringinstrument dat ook aandeel heeft in de bestendiging van de thans aanwezige beeldvorming.
Het effect van de negatieve bijdrage van genoemde Kamerleden op de positie van het islamitische volksdeel in Nederland moet niet worden onderschat. Hun stigmatiserende uitspraken over de eigen achterban kunnen niet eenvoudigweg worden afgedaan als racisme of fascisme zoals in het geval van Wilders, aangezien zijzelf onderdeel uitmaken van de groepen in kwestie. Op deze manier vormt hun kritiek op de eigen cultuur een indirecte bevestiging van de aantijgingen van islamofoben. Ook hier geldt de veronderstelling dat deze politieke voorhoede adequate kennis heeft van de culturen van de achterban. Dat is echter maar gedeeltelijk waar omdat leven in den vreemde een onontkoombare cultuurerosie bij migranten teweegbrengt. Zij missen met andere woorden de ontwikkelingen in die culturen en de moderne religieuze discussies over maatschappelijke vraagstukken. Dat betekent dat culturen zoals beleefd door migranten niet meer zijn dan een aftreksel van de culturen die in het huidige tijdsgewricht in de landen van herkomst opgeld doen. Voor adequate overdracht van cultuur ( normen, waarden, gebruiken, kunst en literatuur) zijn daarenboven eigen scholen en media alsmede een specifieke sociale omgeving, kortom een daarvoor goed geëquipeerde samenleving onontbeerlijk. Zogenaamde ‘Marokkaanse raddraaiers’ zijn daarom niet ontspoord door de invloed van de Marokkaans islamitische cultuur, zoals sommigen beweren, maar juist door het ontbreken daarvan.

Een en ander brengt met zich mee dat voor het realiseren van stabiliteit in de samenleving de huidige niet constructieve tegenstelling tussen autochtonen en allochtonen, en vooral moslims, zou moeten worden weggewerkt. Dat kan allereerst worden bereikt door de anti-islam-retoriek inhoudelijk adequaat te weerspreken. Daarbij wordt herhaaldelijk onnodig verwezen naar eerbiediging van de grondwet, de rechtstaat en inburgering alsof deze uitgangspunten door moslims in Nederland niet zouden worden onderschreven. Daarnaast dienen progressieve politici onomwonden steun te uiten voor de gedachte van de multiculturele samenleving. In dat verband zou ook een beleid moeten worden ontwikkeld om bij autochtonen een mentale omslag te bewerkstelligen met betrekking tot hun opvattingen over het Nederlanderschap om zodoende allochtonen als landgenoten te gaan definiëren.

Aan de andere kant zouden allochtonen actief kunnen gaan zoeken naar mogelijkheden om een electoraat van betekenis te worden, dus naar het creëren van een allochtone lobby waar bestaande politieke partijen rekening mee moeten gaan houden, en niet alleen door plaatsing van allochtonen op de kandidatenlijsten. Daarbij zijn grotere politieke bewustwording, het definiëren van een gemeenschappelijk doel en de bundeling van hun etnisch en religieus verbrokkelde gelederen een conditio sine qua non. Alleen op deze manier zullen ze in staat zijn hun volledige politieke rechten en respect in de samenleving te verkrijgen. Er dient hier te worden opgemerkt dat de keuze voor een eigen allochtone of islamitische partij strategisch niet verstandig is en gezien de getalsverhoudingen pragmatisch geen effectieve optie.
De thans waarneembare koers van de huidige progressieve partijen en de kans op bundeling van allochtone krachten stemmen helaas niet tot optimisme.

Prof.dr. Wasif Shadid is emeritus hoogleraar interculturele communicatie. Dit artikel is gisteren in de Volkskrant verschenen. Met toestemming van de heer Shadid is het origineel op Republiek Allochtonie geplaatst.

Lees ook:

Allochtone electoraat stemt heus niet alleen op allochtone politici

Allochtone politici zijn niet bezig met eigen achterban

Aantal vrouwen en allochtonen in kamer neemt toe, ondanks SGP en PVV

 

 

 

 


Meer over allochtone politici, coruz, dibi, islamitische politici, marcouch, politici, wasif shadid.

Delen:

Reageer