Inburgering 3.0 of uitsluiting

In opinie door Kirsten Verpaalen op 30-04-2011 | 16:49

Tekst: Kirsten Verpaalen

De inburgering is in transitie. Na de Wet Inburgering Nieuwkomers[1], die per 1 januari 2007 vervangen werd door de Wet Inburgering, treedt op 1 januari 2013 het nieuwe inburgeringsstelsel in werking dat nog in de maak is. Nieuwkomers krijgen dan geen inburgeringsaanbod meer van de gemeente en moeten zelf invulling geven aan hun inburgeringstraject. Bovendien moeten zij hun eigen inburgering financieren. Specifiek inburgeringsbeleid gefaciliteerd door het Rijk verdwijnt. Hierdoor dreigt opgebouwde expertise te verdwijnen en bestaat het gevaar dat velen buiten de maatschappij komen te staan.
Tekst: Kirsten Verpaalen

Naar aanleiding van de nieuwe ontwikkelingen vond op 19 april jl. in Rotterdam een landelijke bijeenkomst inburgering plaats voor grote gemeenten. De dag was informatief bedoeld, gemeenteambtenaren zouden er kennis kunnen uitwisselen en geïnspireerd kunnen raken. Als docent Nederlands als Tweede Taal (NT2) / inburgering vind ik de ontwikkelingen zorgwekkend.

Onderzoek – en de praktijk

Het afgelopen jaar is veel geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van de inburgering. In opdracht van het ministerie van VROM / voor Wonen, Wijken en Integratie werden op zichzelf zeer nuttige onderzoeken uitgevoerd, zoals over de koppeling tussen inburgering en de hulpverleningsketen[2]; het houden van een geïntegreerde intake[3]; over de effecten van inburgering op participatie[4] en over het project Taalcoach[5]. Proeftuinen inburgering zochten uit op welke manier succesfactoren het onderwijs en de prestaties van de cursisten positief beïnvloeden. De implementatiespoordagen die tot voor kort in dit kader georganiseerd werden, waren vrij toegankelijk voor docenten die meer willen weten over zelfverantwoordelijk leren of het leveren van maatwerk in de inburgering.

Veel commerciële aanbieders van inburgeringstrajecten passen de verworven inzichten echter nog niet toe of wekken slechts de schijn om een nieuwe gunning te krijgen. Inburgeren in de praktijk, persoonlijk verslag van een docent (Durf Uitgeverij, november 2010) doet een boekje open over de misstanden in de inburgering. De docent in kwestie publiceerde onder het pseudoniem Roos Friesland. Zij levert in haar boek vanuit de uitvoeringspraktijk kritiek op de vrije marktwerking in de inburgering. De hierdoor ontketende concurrentiestrijd heeft ertoe geleid dat particuliere taalaanbieders zo goedkoop mogelijk trajecten aanbieden, betoogt ze. In slechte onderkomens, met behulp van gebrekkig materiaal, en in slechte rechtspositie geven docenten les aan heterogene groepen. Ze signaleert problemen met ongemotiveerde cursisten en uit haar frustratie. Onmacht klinkt door in haar litanie, hoewel ze positief probeert te blijven. Overigens richt ze zich niet langer op de inburgering, maar geeft ze nu met plezier les aan staatsexamengroepen. Helaas mis ik in haar boek aanbevelingen die aansluiten op de hervormingen van het stelsel die wel degelijk gaande zijn. Dat zij zich hiervan ten tijde van het schrijven van haar boek niet bewust was, moge een illustratie zijn van wat ik beweer: dat veel commerciële organisaties de verworven inzichten niet in de praktijk laten toepassen.

‘Het inburgeringsprogramma draagt bij aan de versterking van de zelfredzaamheid van de deelnemers en kan een belangrijke rol vervullen in de verdere participatie van migranten in de Nederlandse samenleving,’ schrijft de directeur Inburgering en Integratie namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 17 maart 2011. Toch stelt het Rijk vanaf 2014 geen inburgeringsmiddelen meer ter beschikking. Er zit ontwikkeling in de inburgering, maar het toekomstperspectief is somber als de uitvoering zonder inhoudelijke controle aan de vrije markt wordt overgelaten. Des te kwalijker is het, als de overheid aan de gedane inspanningen geen vervolg geeft. Gemeenten luiden de noodklok en waarschuwen dat de samenleving de rekening van de bezuinigingen nog gepresenteerd zal krijgen.

Met de voeten in de klei

Ik werk sinds drie jaar als docent NT2 / inburgering in de regio Arnhem/Nijmegen. Mijn andere beroep, antropoloog, kleurt mijn visie op het vak. Begin jaren negentig van de vorige eeuw nam ik in het kader van mijn studie deel aan een werkgroep ‘Etnische minderheden in Nederland’, naar het gelijknamige boek onder redactie van Prof. Dr. Han Entzinger, een van de grondleggers van de verplichte inburgering. Ook las ik toen een casestudy uit het begin van de jaren tachtig, gebaseerd op veldwerk in Utrecht onder leiding van onder anderen Prof. Dr. Frank Bovenkerk. ‘Vreemd volk, gemengde gevoelens’ heet het boek en het beschrijft de wrijvingen binnen de wat toen multiraciale samenleving werd genoemd.

In die tijd realiseerde de Nederlandse overheid zich pas dat de gastarbeiders die in de jaren zestig en zeventig waren gekomen, niet zouden terugkeren. De gezinshereniging was op gang gekomen. Angst voor interetnische spanningen, rechtvaardigheidsoverwegingen en sociaaleconomisch eigenbelang bepaalden sindsdien het allochtonenbeleid. Totdat aandacht voor de emancipatie van migranten tot een linkse hobby werd bestempeld: het pamperen van allochtonen moest maar eens afgelopen zijn.

Decennialang hebben autochtone Nederlanders geleefd met de illusie dat allochtonen wel zouden assimileren. Dat ze zich onze cultuur met normen en waarden eigen zouden maken omdat zij vroeg of laat de superioriteit ervan in zouden gaan zien. ‘Het is kennelijk een hele klap voor veel Nederlanders dat allochtonen hierheen kwamen om zich te ontplooien, niet om te worden zoals wij,’ schrijft Joris Luyendijk in het opiniestuk Nederland Gidsland, hoe provinciaal kun je zijn? De conclusie van de politiek bij monde van Vicepremier Maxime Verhagen (CDA): ‘De multiculturele samenleving is mislukt’.

Ik geloof niet in pamperen. Maar als antropoloog ‘met de voeten in de klei’ ervaar ik dagelijks hoe belangrijk het holistische perspectief is. De doelgroep waarmee ik werk, allochtone vrouwen van de eerste generatie, verkeert in een achterstandspositie en dreigt in een isolement te raken. Het gaat om allochtone vrouwen die vanwege hun sociaaleconomische situatie in combinatie met psychosociale en gezondheidsproblemen moeilijk mee kunnen doen in de samenleving. Velen van hen zijn al tien, twintig, dertig jaar in Nederland. Het zijn oudkomers die hun kinderen hebben opgevoed en weinig buitenshuis kwamen. In eigen land hebben de meesten geen onderwijs genoten; ze zijn hier gealfabetiseerd.

Participatietraject Inburgering

De vrouwen die stagneerden tijdens het alfabetiseringstraject zullen zeker niet slagen voor de reguliere inburgeringsexamens, die veel te moeilijk voor hen zijn. De gemeente zag dat in en maakte gebruik van haar beleidsvrijheid om deze groep een alternatief inburgeringsprogramma aan te laten bieden. De organisatie waar ik voor werk, IVC Nijmegen, verzorgt dit Participatietraject Inburgering, waarin veel aandacht is voor functioneel leren, vrijwilligerswerk of een andere vorm van participatie en opvoedingsondersteuning door middel van een combinatie van informatieverstrekking en discussie. Ook onderwerpen die in andere culturen in de taboesfeer blijven, zoals homoseksualiteit, maken we bespreekbaar.

Bij dit traject hanteren we, zoals ook bij onze sociale activeringstrajecten, vanaf de intake een integrale aanpak. De trajectbegeleider speelt hierin een belangrijke procesondersteunende rol. Zijn er belemmeringen die cursisten niet zelfstandig kunnen wegnemen, dan kunnen ze terecht bij het zorgteam, bestaande uit maatschappelijk werksters, een verpleegkundige en een huisarts. De docent kan vaak niet meer doen dan een signaal afgeven en rekening houden met de situatie van de cursist. Roos Friesland merkt in dit kader terecht op dat je als docent (meestal) geen psycholoog of maatschappelijk werker bent. Onze professionals verwijzen de cursisten zo nodig door en bemiddelen naar hulpverlenende instanties die voor de doelgroep nog altijd onbekend of moeilijk toegankelijk zijn. Deze aanpak helpt uitval door problemen in de privésfeer te voorkomen. Mijn indruk is dat we door in te spelen op de noden en behoeften van de cursisten veel minder problemen met ongemotiveerde cursisten ondervinden dan die Roos Friesland in haar boek beschrijft. Dit is mogelijk zonder concessies te doen aan de stof die we aanbieden.

Integratie moet van twee kanten komen

De integratie van allochtonen verloopt niet naar wens en veel aan migratie gerelateerde problemen blijven onopgelost. Nog in het Jaarrapport Integratie van 2010 is te lezen: ‘Integratie is een veelomvattend en langdurig proces.’ Zeker, de vorderingen gaan met kleine stapjes. Maar dat dit generaties duurt, is een dooddoener die lijkt te suggereren dat de tijd het probleem oplost. Ik durf het tegendeel te beweren. Mensen zullen zich van de maatschappij afkeren als zij geen kansen krijgen om er als volwaardige burgers aan deel te nemen en dit geldt net zo goed voor de tweede-, derde-, en volgendegeneratieallochtonen als voor de eerste generatie. Integratie blijft een noodzakelijke investering voor de hele Nederlandse samenleving. Integratie van beide zijden welteverstaan: door allochtonen en door autochtonen.

In een open brief aan de Volkskrant van 10 januari 2011 schrijven Turks-Nederlandse professionals verontrust dat Turks-Nederlandse jongeren in een isolement dreigen te raken. Hun binding met Nederland neemt af: zij voelen zich hier niet meer welkom, buitengesloten, tweederangsburgers. Velen van hen zijn werkloos en voelen zich gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Ze hebben een gebrek aan zelfvertrouwen, zien te weinig rolmodellen, terwijl het sociale vangnet van zelforganisaties verzwakt is. Moskeeën vullen de leemte, schrijven de professionals, de invloed van Turkse imams uit het land van herkomst is groot.

‘Ik wil Sinterklaas niet’ (citaat uit Inburgeren in de Praktijk)

Respect voor elkaars cultuur zou centraal moeten staan in het integratieproces. Ten onrechte werd de rol van cultuurverschillen decennialang onderschat. Terwijl voorstanders van de multiculturele samenleving de kwaliteiten van de Ander ophemelden (die exotische muziek, een rijke keukentraditie en niet te vergeten de ongekende gastvrijheid), haalden zij de eigen cultuur neer. Wat was eigenlijk onze eigen cultuur? Autochtoon Nederland raakte in een identiteitscrisis. Nog steeds kom ik in veel lesmaterialen gierigheid en benepenheid tegen als belangrijkste eigenschappen van De Nederlander. Ik begrijp de verontwaardiging van Roos Friesland hierover. Hoe kun je verwachten dat iemand je respecteert als je geen zelfrespect toont?

Anderzijds zie ik dat cultuurverschillen onvoldoende overbrugd worden. Het verbaast mij geenszins dat volwassen mannen dwars worden als ze Sinterklaasliedjes moeten zingen in de NT2 les. Leren uit lesmaterialen bestemd voor kinderen zou vrije keuze van een NT2 cursist moeten zijn, geen verplichte kost. Een volwassene verdient het als volwassene benaderd te worden, ook al lijken kinderboeken vanwege het eenvoudiger taalgebruik een goed middel. Ik ben ervan overtuigd dat de botsing tussen onze feminiene cultuur en die van de herkomstlanden een belangrijke oorzaak is van de onwil bij mannelijke cursisten om te leren. Mannelijke cursisten in het inburgeringsonderwijs zouden gebaat zijn bij mannelijke docenten, zoals islamitische vrouwen met een traditionele thuisbasis nog steeds beter gedijen in een beschermde leeromgeving waarin zowel medecursisten als docenten vrouw zijn. Ik zie dit niet als definitieve oplossing, maar als een noodzakelijke tussenfase voor een bepaalde doelgroep. Helaas wordt dit standpunt niet gedeeld door de overheid, die faliekant tegen gescheiden inburgering is.

Aandacht voor talent

Veelgehoorde kritiek op het huidige inburgeringstraject is dat de nadruk op het scoren van bewijsformulieren voor het portfolio en het behalen van de complexe examens ten koste gaat van de taal. Vooral oudkomers, dat wil zeggen mensen die voor 1 januari 2007 naar Nederland zijn gekomen, vinden de lessen niet nuttig en vaak betuttelend. Cursisten voelen zich niet gehoord in hun leerwensen en vinden dat hun capaciteiten onvoldoende erkenning krijgen. Ik geloof in de aanpak FC-Sprint2, die Jan Deutekom op het Friesland College ontwikkelde. Cursisten moeten worden uitgedaagd door hun vertrouwen en verantwoordelijkheid te geven, hen de noodzaak tot leren te laten voelen, hen fouten te laten maken.

Succesvolle leerwerkplaatsen bewijzen dat het NT2 onderwijs veel effectiever en bevredigender vormgegeven kan worden. De vrouwen die bij Wereldvrouwen werken, bijvoorbeeld, doen werkervaring in de catering of het naaiatelier op, leren functionele taal en verbeteren hun communicatieve vaardigheden in de praktijk. Het doel is doorstromen naar een beroepsopleiding en een betaalde baan. Zo kunnen ook zij hun talenten ontplooien en volwaardig meedraaien in de samenleving. Het Ministerie van OC&W nam Wereldvrouwen op als good practice voorbeeld in hun eindevaluatie subsidieregeling Emancipatie.

De overheid geeft de voorkeur aan duaal leren, waarbij taal en participatie tegelijkertijd en in samenhang plaatsvinden. Van april t/m oktober 2010 stimuleerde zij dit door middel van een tijdelijke regeling Inburgering op de Werkvloer. Een werkgever kon subsidie ontvangen in ruil voor ondersteunende activiteiten ten behoeve van de inburgering van werknemers. B&A consulting BV concludeerde in een verslag over de effecten van inburgering op participatie dat investeren in de inburgering en aanvullend taalonderwijs loont.

Burgers voor burgers

In de periode 2008 tot en met dit jaar financiert het Rijk het project Taalcoach. De middelen zijn bedoeld voor de werving, training en begeleiding van vrijwillige taalcoaches die het leerproces ondersteunen door een-op-een met inburgeraars de taal te oefenen. Uit een onlangs gepubliceerd onderzoeksrapport blijkt dat alle betrokken partijen positief oordelen over de opbrengsten van het project, hoewel het voorgenomen aantal matches niet gehaald is – en mogelijk niet behaald zal worden, gezien de gestelde einddatum van het project.

Inburgeraars verbeteren niet alleen hun taal in contact met de coaches, maar krijgen vaak ook meer zelfvertrouwen en worden beter zelfredzaam. Voor taalcoaches – die lang niet altijd eerder betrokken waren bij activiteiten rondom inburgering, migranten of vluchtelingen – is het een laagdrempelige mogelijkheid om kennis te maken met andere culturen. Vaak krijgen de vrijwilligers meer begrip voor de vaak moeilijke situatie van anderstaligen. Het project past goed in het lokale integratie- en participatiebeleid en voorziet in een behoefte. Het waarderingsonderzoek Project Taalcoaches stelt geheel in lijn met het regeringsbeleid dat de verantwoordelijkheid voor een succesvolle inburgering vooral bij de inburgeraar zelf ligt. ‘Tegelijkertijd is betrokkenheid van de ontvangende samenleving onontbeerlijk voor succesvolle integratie.’

Vanaf 2012 zullen de gemeenten die het lokale project willen voortzetten dit uit eigen middelen moeten financieren. Of gemeenten het benodigde budget voor het project Taalcoach kunnen reserveren, betwijfel ik ten zeerste, gezien de aangekondigde bezuinigingen waarvoor zij zich gesteld zien (voor de gemeente Nijmegen 15 miljoen euro). Toch blijft beperkte investering ten behoeve van coördinatie en begeleiding van taalcoaches nog steeds gewenst. Het zou zonde zijn als de opgebouwde expertise niet verder wordt benut.

Wijkgerichte inburgering

Dit jaar eindigt het in 2009 ingezette innovatietraject wijkgerichte inburgering, een experiment waarbij maatschappelijke participatie op wijkniveau het uitgangspunt is. De lessen die hieruit getrokken worden, moeten hun plek vinden in het nieuwe inburgeringsstelsel. Er lijkt me niets mis met mensen stimuleren hun zelfoplossend vermogen aan te spreken, om zo mogelijk samen met anderen (zonder de overheid) oplossingen voor problemen te bedenken. Uitgaan van de kracht van de burger, zijn of haar netwerk, de straat en de wijk. Zolang er landelijk kennis uitgewisseld en toegepast wordt over ervaringen uit de praktijk, zie ik zeker voordelen in een wijkgerichte aanpak waarin welzijnsorganisaties en taalaanbieders nauwer samenwerken om zo doublures te voorkomen. Maar ik maak me zorgen over het verlies van specifieke expertise op het gebied van emancipatie en integratie dat het nieuwe beleid met zich mee dreigt te brengen.

Ook vrees ik dat van het afbouwen van het inburgeringsbudget uitgerekend de meest kwetsbaren de dupe worden. Zij die nog niet financieel zelfredzaam zijn, hebben de ondersteuning van een traject hard nodig om zelfvoorzienend te worden, maar zij zullen niet in staat zijn het traject te betalen. Terwijl beheersing van het Nederlands een voorwaarde wordt voor het verkrijgen van een bijstandsuitkering, of je nu in staat bent om de taal te leren of niet. ‘Meedoen,’ was het motto van het Deltaplan Inburgering. Ik vind het onaanvaardbaar dat grote groepen mensen zullen worden uitgesloten van deelname aan de maatschappij.

Ik hoop dat de bijeenkomst van afgelopen dinsdag voor gemeenteambtenaren een stap in de goede richting zal blijken te zijn. Omwille van de investeringen en de opgebouwde expertise, maar vooral omwille van de toekomst van alle vrouwen en mannen die mee willen doen in Nederland. Ook als dat niet in hun eigen vermogen ligt.


[1] inwerkingtreding 30 september 1998

[2] Regioplan, eindrapport oktober 2010

[3] Radar Advies, drie voorbeelden, maart 2010

[4] b&a Groep, verslag van vier kwalitatieve casestudies, 18 augustus 2010

[5] Regioplan, waarderingsonderzoek, april 2011

Kirsten Verpaalen is cultureel antropoloog. Zij heeft heeft onder andere geschreven voor het online antropologische tijdschrift Mensenstreken. Tegenwoordig werk zij als docent Nederlands als tweede taal. Dit artikel is eerder verschenen op haar blog en met toestemming van Kirsten op Republiek Allochtonië geplaatst.

Meer inburgering hier

 


Meer over inburgering, integratie, kirsten verpaalen.

Delen:

Reageer




Reacties


Johannes - 05/12/2016 15:02

Wat een goed artikel. De problematiek omtrent inburgeren wordt vaak in de media zodanig opgeblazen dat men zo langzamerhand te gemakkelijk voorbij gaat aan het feit dat veel roc in NL hoogwaardige cursussen en vervolgopleiding aanbieden voor inburgeraars.

http://www.rockopnh.nl/

Kirsten Verpaalen - 30/04/2011 18:19

Beste Roos Friesland,
Dank je wel voor je uitgebreide reactie.

Het is niet mijn bedoeling geweest om uitputtend te zijn in mijn blog en ik ben vooralsnog niet van zins een boek over het onderwerp te schrijven. Evenmin heb ik in mijn stuk de zwarte piet willen uitdelen. Mijn intentie was om, net als jij deed in je boek, de gesignaleerde problemen aan de kaart te stellen. Bovendien hoop ik op deze manier een discussie op gang te krijgen en zo bij te dragen aan een oplossing.

De problemen bestonden al voor de markt werd vrij gegeven en de overheid besloot hiertoe juist omdat de doelen niet werden behaald, schrijf je. Je kunt je natuurlijk afvragen of de doelen realistisch waren en bereikbaar met de beschikbare leermiddelen. De commerciële aanbieders zou ik niet over een kam willen scheren, daarvoor ken ik er te weinig van binnenuit.

Ik pleit ervoor de oorzaken van de problemen te achterhalen en die aan te pakken. Anders zijn alle inspanningen, zoals je zelf hebt ondervonden, geloof ik inderdaad vruchteloos. Je hebt negatieve ervaringen met empowerment cursussen. Ik denk dat deze het gewenste resultaat niet zullen opleveren als ze geen rekening houden met de omgeving van de deelnemende vrouwen. Sterker nog: het gevaar bestaat dat er alleen maar meer spanningen in gezinnen ontstaan als vrouwen zich emanciperen zonder dat de mannen in hun familie en sociale netwerk hier op een constructieve manier bij betrokken worden. Persoonlijk ben ik dan ook zeer benieuwd naar de ervaringen van de vadercentra en de ouderkindcentra, waar ook onze organisatie in de wijkgerichte aanpak waarschijnlijk samen zal werken.

De participatietrajecten inburgering zijn nieuw en worden nog niet algemeen toegepast. Ze zijn opgezet om in de praktijk uit te zoeken of deze aanpak voor de doelgroep van laagopgeleiden tot betere resultaten leidt dan het traditionele inburgeringstraject. In ons participatietraject inburgering besteden we aandacht aan empowerment, maar in de context van de situatie waarin de vrouwen verkeren en als onderdeel van de einddoelen. Empowerment is geen toverwoord, maar een voorwaarde om vrouwen die een geïsoleerd bestaan leiden, te activeren. Het is voldoende als vrouwen alleen mondig worden in de les. Zij moeten zich in het dagelijks leven beter leren redden. Daarom is het onderdeel empowerment niet alleen ingebed in het totale inburgeringprogramma, maar is een empowerende houding van de docent minstens zo belangrijk. Met onze integrale aanpak kijken we juist naar de oorzaken van de problemen. Dankzij een goed netwerk hoeven de docenten deze niet zelf op te lossen, maar wordt wel verwacht dat ze signaleren in geval van belemmeringen. In hun rol van docent kunnen ze vanzelfsprekend cursisten weerbaarder maken en hen activeren door middel van het programma dat ik in mijn blog beschrijf.

Dank voor je aanvullingen met betrekking tot andere doelgroepen. Wat de ongemotiveerde mannelijke cursisten betreft: deze ben ik als jonge vrouw en beginnend docent ook tegengekomen. In het lastigste geval voelde ik me – overigens door een hoogopgeleide docent in eigen land – niet serieus genomen in mijn stijl van lesgeven. Het betrof een man die een voor hem niet passend aanbod had gekregen, maar die mijn toenmalige werkgever desondanks in traject wilde houden. Of ik nu, enkele jaren werkervaring rijker en ouder, steviger in mijn schoenen sta, durf ik niet te zeggen: ik werk niet meer met deze doelgroep. Ik hoop dat ik zakelijker zou zijn en het me minder persoonlijk zou aantrekken, dat ik het misschien zelfs als een uitdaging zou zien. We kunnen er een klassiek antropologisch culture-nature debat over voeren, maar ik leg me er bij neer dat ik de houding van deze mannen niet zal veranderen. Ik merkte dat mijn oudere mannelijke collega wel op een ontspannen manier effectief met dergelijke cursisten om kon gaan en heb veel aan zijn inzichten gehad. Dit is slechts een voorbeeld dat ik wellicht niet zou aandragen als ik niet ook in de psychologische literatuur had gelezen over de invloed van man-vrouw verhoudingen in interculturele context op de rollen die we vervullen. Dit sloot aan bij wat ik in de praktijk zag. Vandaar mijn suggestie dat een mannelijke docent deze doelgroep weleens positiever zou kunnen beïnvloeden dan ik dat zou kunnen als vrouw.

Ik heb het in mijn blog bewust voornamelijk over mijn huidige cursisten, (semi) analfabete en laagopgeleide vrouwen van tussen de 40 en 60 jaar, oudkomers die vaak al decennialang in Nederland verblijven. Deze eveneens grote doelgroep wil namelijk generaliserend wel, maar dreigt uitgesloten te worden van deelname aan de maatschappij. Ik ben voor eigen verantwoordelijkheid en heb er geen bezwaar tegen dat mensen een eigen bijdrage betalen. Maar ik vind dat er rekening gehouden moet worden met draagkracht, zodat iedereen die het nodig heeft een passend (inburgerings)traject kan volgen.

Een vriendelijke, collegiale groet terug,
Kirsten Verpaalen

Faatje - 30/04/2011 17:49

hoi Kirsten,


Een goed en erg herkenbaar verhaal, dankjewel!


Roos Friesland - 30/04/2011 17:39

Beste Kirsten,

ik ben blij dat je net als ik de problemen onderkent waarmee we in de inburgerwereld te maken hebben en de discussie op gang wilt brengen. Ik zou willen dat meer docenten serieus nadachten over het moeilijke werk dat zij (en wij) doen. Ik lever graag mijn bijdrage.

Commerciële taalaanbieders
Je schrijft dat er het afgelopen jaar veel is geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van de inburgering. Ik zie daar inderdaad in de praktijk weinig van terug. Eén van de redenen is mogelijk dat, zoals je schrijft:
veel commerciële organisaties de verworven inzichten niet in de praktijk laten toepassen.
Maar ik vind het veel te simpel om alleen de commerciële taalaanbieders de schuld te geven.
De overheid besloot in eerste instantie om de markt vrij te geven, omdat de doelen al niet werden gehaald toen de lessen nog voornamelijk door ROC’s werden verzorgd.

Ik heb globaal kennis genomen van de door jou bijgeleverde stukken.
In het stuk dat gaat over de koppeling tussen inburgering en de hulpverleningsketen[2] wordt door de onderzoekers gebruik gemaakt van reeds lang bestaande kennis over o.a. huiselijk- en eer-gerelateerd geweld. Eén van de organisaties die een inventarisatie van de problematiek heeft gedaan is Vluchtelingen-Organisaties Nederland (VON)
http://www.binnenlandsbestuur.nl/spilzucht.1018924.lynkx die onlangs met een vernietigend oordeel kwam over het huidige inburgerstelsel.
Verder vind ik de bevindingen van het zogenaamde nieuwe onderzoek niet echt verrassend. Het is allemaal al eerder gezegd en toont alleen maar weer aan hoe ongelooflijk groot en complex de problemen zijn. Ik vind het wel positief dat er nadrukkelijk wordt vermeld dat de inburgering niet te zeer met die problemen mag worden belast, maar dat dit de taak is van de lokale hulpverlening.

Vrouwen in achterstandsposities.
Zoals je hebt kunnen lezen in mijn boek heb ik bij een commerciële taalaanbieder ook een tijd gewerkt met vrouwen, in meerderheid moslima’s, met psychosociale en gezondheidsproblemen.
Commerciële taalaanbieders lieten zich bij het kiezen van hun aanpak al wel leiden door reeds veel eerder verworven inzichten, denk hierbij aan de Onderwijs, Gezondheid en Opvoeding (OGO), en de Participatie Allochtone Vrouwen Etnische Minderheden (PAVEM) groepen.
Mijn drijfveer voor het schrijven van mijn boek was in eerste instantie de problemen, die ik signaleerde bij het lesgeven aan de hierboven genoemde doelgroep, kenbaar te maken.
Ik vond dat mijn inspanningen in de klas te weinig opleverden. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ík de vrouwen in achterstandsposities niet kan helpen.
Ik heb ook niet de illusie dat de problemen opgelost worden door die vrouwen een of twee jaar durende oppep- zelfbeeldopkrikkende cursussen te laten volgen waarin ze hun eigen kracht moeten leren vinden en waaraan ‘slimme jongens’ weer veel geld verdienen en ik ben er helaas nog niet van overtuigd dat de participatietrajecten inburgeren, zoals jij die beschrijft echt werken. Wordt in de trajecten ook duidelijk waaróm de vrouwen zoveel problemen hebben. De vraag lijkt een open deur.
In het hoofdstuk WerkJezelfOmhoog uit ik mijn bedenkingen tegen de oplapcursussen. Als er niets gedaan wordt aan oorzaken van de problemen en de situatie waarin de vrouwen verkeren, zullen de inspanningen vruchteloos blijken. Ik hoop dat ik het verkeerd zie.

Verschillende doelgroepen
Ik denk dat het belangrijk is onderscheid te maken tussen de verschillende doelgroepen waar we mee te maken hebben. Ik hecht net als jij, veel waarde aan goede intakes waarin naar het niveau en de achtergrond van de cursist wordt gekeken.
Ik heb het stuk geïntegreerde intake[3] globaal doorgekeken. Ik vond het taalgebruik wollig, theoretisch en nietszeggend. Eén van de vier steden waarin de geïntegreerde intakes worden gehouden is Schiedam. In het hoofdstuk Co&Zo in mijn boek, schrijf ik over mijn leservaringen in Schiedam en de houding en de rol van de gemeente daar. De praktijk bleek weerbarstiger dan de theorie.
Na een evaluatie is de gemeente daar tot de conclusie gekomen om het integratiedebat stevig ter hand te nemen. In het door de burgemeester ondertekende stuk komt alles weer aan de orde: de integrale benadering, de wijkgerichte aanpak, de behoefte van de klant vormt het uitgangspunt, opvoedingsondersteuning, duale aanpak, betere informatievoorziening, registratie, gericht op bevorderen van de zelfredzaamheid enz. Het baart mij grote zorgen dat nu over de mogelijkheid tot inzetten van persoonsgebonden budgetten wordt nagedacht.
Ik merkte trouwens niets van die zogenaamde integrale benadering van de klant. De ambtenaren in Schiedam hadden ervoor gezorgd dat er in mijn staatsexamengroep meerdere cursisten zaten voor wie het niveau veel te hoog was. De taalaanbieder waarvoor ik in Schiedam werkte ging failliet.
Je hebt helaas gelijk. Ik merk dagelijks in de praktijk dat de intakes niet zorgvuldig gedaan worden, met als gevolg dat de groepen te heterogeen van samenstelling zijn..

De docent
Op een van de door jou genoemde implementatiespoordagen in Utrecht beweerde een senior beleidsadviseur kwaliteit bij Educatie&Inburgering DWI doodleuk dat: de zwakste schakel in het inburgeronderwijs de docent is.
Het verontrust mij dat de docent als hoofdschuldige voor de tegenvallende resultaten wordt aangewezen, omdat er dan niet verder gekeken hoeft te worden naar de werkelijke oorzaken van de problemen.
De Beroepsvereniging NT2, die de belangen van docenten zou moeten behartigen, heeft het in Amsterdam al voor elkaar gekregen dat docenten – ook zij die een onderwijsbevoegdheid hebben, Neerlandici en mensen met meer dan 10 jaar ervaring in het werkveld, verplicht een nieuw NT2-certificaat moeten halen (kosten 750 euro). Hierbij moeten ze een portfolio aanleggen, feedback van collega’s en cursisten vragen en vervolgens een assessment doen. Het zijn o.a. mensen die een vrijwilligersfunctie hebben bij de BVNT2 en die geijverd hebben voor dit nieuwe certificaat, die de portfolio’s en assessments beoordelen en die bepalen of de nog niet gecertificeerde wel de juiste houding heeft tov de buitenlander. Ik heb er ernstige bezwaren tegen dat iemand voor mij – vrouw van 54 jaar – bepaalt wat de juiste houding is die ik aan moet nemen tegenover andere volwassenen.

De Nieuwe Nederlander zelf
Ik vind de opmerking van Joris Luyendijk dat Nederlanders het een hele klap vinden dat allochtonen hierheen kwamen om zich te ontplooien en niet om te worden zoals wij, vreemd. Ik geloof daar niets van. Een grote groep allochtonen wíl zich helaas niet ontplooien en ik zet me juist graag in voor diegenen die dat wél willen.

In jouw stuk heb je het voornamelijk over de cursisten met wie jij werkt; vrouwen in achterstandsposities; mensen die misschien wel wíllen inburgeren, maar daarbij heel veel hulp nodig hebben.
Je besteedt weinig aandacht aan een grote groep mensen, voornamelijk mannen, waar ik de afgelopen 11 jaar mee te maken heb gehad die zich niet of nauwelijks inzet. Ik heb gemerkt dat velen zich niet willen aanpassen. Het verbaast me dat je het voor deze mannen opneemt en het verontrust me dat je pleit voor mannelijke docenten in hun klassen.
Ik vind niet dat je cursisten moet dwingen Sinterklaasliedjes te zingen en ik kan me niet voorstellen dat er docenten zijn die dat doen. Ik heb wel ondervonden dat het juist de sympathieke, intelligentere mannen zijn die inzien dat het zingen van Nederlandse liedjes heel nuttig kan zijn om de taal te leren. (Misschien spreken veel Nederlanders redelijk goed Engels omdat ze veel Engelstalige liedjes horen en meezingen ) Het is niet mogelijk om direct met Spinvis of Boudewijn de Groot aan te komen, maar er zijn veel bruikbare, niet kinderachtige kinderliedjes.
De Somalische cursist die riep: Ik wil Sinterklaas niet, straalde agressieve ontevredenheid uit die bijzonder ‘onprettig’ overkwam. Het voorval vond trouwens plaats op een ROC.
Over de groep hoogopgeleide buitenlanders, zowel oud- als nieuwkomers schrijf je niet in je stuk. Het is de doelgroep waar ik graag mee werk. Ik zet mijn didactische kwaliteiten met plezier in om gemotiveerde mensen de Nederlandse taal aan te leren.

Lesstof inburgeren
De inhoud van het programma inburgeren is niet goed. Voor de groep hoogopgeleide nieuwkomers is de lesstof inhoudelijk op sommige punten ronduit een belediging. Voor een groep oudkomers is het aan de andere kant juist hard nodig om kennis te nemen van de inhoud van het programma. Voor beide groepen is het taalniveau dat nodig is om de lesstof te begrijpen vaak te hoog. Ik pleit er dan ook voor het hele inburgeren zoals het tot nog toe was, af te schaffen en te vervangen door het geven van Nederlandse taal op maat.

Volwassenen mensen
Ik ben het met je eens: een volwassene verdient het als volwassene benaderd te worden.
Ik erger mij vaak aan de betuttelende houding die autochtonen (onder wie ook collega’s) aannemen tegenover allochtonen. De Amsterdamse regisseur en filmmaker Eddy Terstall ( http://nl.wikipedia.org/wiki/Eddy_Terstall) spreekt in dit verband over betuttelracisme. De buitenlander wordt als slachtoffer gezien in plaats van als volwaardig persoon die verantwoordelijk is voor zijn eigen leven. Ik heb er geen bezwaar tegen om mensen een bijdrage te laten betalen in de kosten van hun eigen opleiding en toekomst.

Vriendelijke en collegiale groet van Roos Friesland
Auteur van: Inburgeren in de praktijk, persoonlijk verslag van een docent.