Een taal zonder oordeel

In opinie door Jos van der Lans op 22-01-2012 | 12:50

Tekst: Jos van der Lans

Kunstenaars en andere leden van de ‘creatieve klasse’ trekken steeds veelvuldiger achterstandswijken in. Vormen zij de voorhoede van het nieuwe welzijnswerk of is er iets anders aan de hand? Publicist Jos van der Lans over veroordelen, verplichtingen, vertrouwen en ‘een vrolijke boel’.

Nazmiye Oral liet zich dit voorjaar adopteren door een Groningse PVV-stemster. De actrice van Turkse komaf deed dat in het kader van het Zina-project, een project waarin acteurs zich door mensen uit zogenaamde achterstandsbuurten laten adopteren. De verhalen die ze daarmee ophalen vormen de basis van een toneelvoorstelling. In Groningen leverde dat eind mei, begin juni in samenwerking met het Noord Nederlands Toneel een prachtige voorstelling op, door Volkskrant-recensente Annette Embrechts aangeduid als ‘poëzie van gezellige ontmoetingen’. Een indrukwekkende verbeelding van levens in de drie Groningse Vogelaarwijken: de Oosterparkwijk, de Hoogte en de Korrewegwijk.

De zes Zina-actrices kwamen bij uiteenlopende bewoners terecht. Nazmiye Oral wilde per se bij een PVV-stemster. ‘Ik wil zien wie het is. Ik wil het snappen. Ik wil er een verbintenis mee aangaan.’ Wekenlang trok ze op met haar adoptiemoeder, een zestigjarige Groningse. En een week voordat de voorstelling te zien was deed ze verslag van haar adoptie in de Volkskrant van zaterdag 22 mei. Ik werd er bij lezing meteen door gegrepen. Het is een ontroerend verhaal over twee vrouwen, een actrice en een volksmoeder, wiens levens door toeval verstrengeld en aan elkaar gehecht raken. Alleen…. tussen hen staat Wilders, waar ze eigenlijk niet over praten. Dat gebeurt pas als Nazmiye na weken afscheid neemt en na diep ademhalen de naam van de PVV-leider ter sprake brengt.

Dan ontrolt zich een indrukwekkende scene. De adoptiemoeder wuift Wilders weg. Nee, ze gaat niet meer op hem stemmen. Ze vergelijkt hem met Hitler (waar ze in de eerste meidagen een paar keer op de televisie aan is herinnerd) en heeft bedacht dat ze later zichzelf niet het verwijt wil maken op hem gestemd te hebben. De actrice is stomverbaasd en wil weten of hun ontmoeting enige invloed heeft gehad op deze nieuwe keuze. Ze krijgt een antwoord dat ze totaal niet had verwacht: ‘Zeker weten. Jij bent de enige, echt de enige die mij niet heeft veroordeeld omdat ik op de PVV stem. Daardoor ben ik gaan nadenken.’ ‘Ik merkte’, zo besluit Oral haar verslag, ‘dat ik niet opgelucht was door haar nieuwe boodschap. Of blij. Er werd niet iets verenigd wat eerst onverenigbaar was. Mijn liefde werd niet groter nu ik wist dat mijn adoptiemoeder niet op Wilders ging stemmen. Het maakte mij werkelijk niets uit.’

Het verhaal bleef dagen in mijn hoofd rondzingen. Waarom eigenlijk? Waarom trof mij dit verhaal nu zo? Natuurlijk, vanwege de afloop, elke Wilders-stem minder is er een. Maar dat was toch niet wat mij het meest aansprak. Wat mij raakte was dat de adoptiemoeder zei dat Oral ‘de enige, echt de enige’ was die haar niet veroordeelde.

Met andere woorden: alle anderen doen dat wel.

En ik weet wie die anderen zijn. Dat zijn professionals in allerlei soorten en maten die projecten starten, achter de voordeur komen, aan sociale cohesie werken, activiteiten organiseren. Dat zijn de vogelaarbrigadiers, de welzijnswerkers, de medewerkers van corporaties die vol zitten met mooie beleidsdoelstellingen, met sociale stijging, met verheffing, met emancipatie. Zij spreken de taal van het grote moeten, de taal van burgerschap, de taal van plichten, de taal van bemoeien. Zij vormen een weldenkend beschavingsoffensief en hebben de pest aan Wilders, die zij als een onruststoker zien. Natuurlijk zeggen ze dat niet hardop, maar elke bewoner proeft het, ziet het, weet het.

"De anderen, dat zijn de vogelaarbrigadiers, de welzijnswerkers die vol zitten met mooie beleidsdoelstellingen. Zij spreken de taal van bemoeien en hebben de pest aan Wilders"

Dat was dus niet de taal van Nazmiye. Zij sprak de taal van het zijn, de taal van het luisteren zonder verplichtingen. Dat was de reden, zo realiseerde ik mij, waarom Orals Volkskrant-verslag zo lang in mijn hoofd bleef rondspoken. In die doodeerlijke constatering van haar Groningse adoptiemoeder lag de verklaring besloten waarom op tal van plaatsen cultuurmakers en cultuurproducenten achterstandswijken intrekken. En daartoe ook door allerhande officiële instanties steeds nadrukkelijker worden uitgenodigd. Er is kennelijk een enorme behoefte aan onbekommerdheid, aan verbeelding, aan openheid. En dat is iets wat welzijnswerkers, corporatiemedewerkers, gemeenteambtenaren niet meebrengen. Die hebben altijd een sociale agenda, zeker in de ogen van bewoners.

Voorbeelden? Te over. Kijk naar de Van der Pek-buurt in Amsterdam-Noord, waar kunstenaars met bewoners een soap maken, tentoonstellingen organiseren en op alle mogelijke manieren de veranderende buurt tot de verbeelding laten spreken. Of google: Hotel Transvaal. Het bestaat helaas niet meer, maar het was een geweldig initiatief in de Haagse wijk Transvaal. In een wijk die stevig werd geherstructureerd realiseerden kunstenaars hotelkamers in slooppanden, nog niet verkochte nieuwbouw, ongebruikte ruimtes bij bewoners thuis en op braakliggend terrein. De kamers werden op bijzondere wijze ingericht door winkeliers uit de buurt en kunstenaars. Het aanbod was zeer gevarieerd qua aankleding, luxe en prijsniveau, zodat er voor een ieder, toeristen, bewoners uit de wijk en andere geïnteresseerden, een plek was. Hotel Transvaal ontving op deze wijze in twee jaar zeshonderd hotelgasten, die vrijwel allemaal in de wijk op avontuur gingen. Want het Hotel introduceerde zijn gasten bij Turkse en Marokkaanse en Surinaamse restaurants, verse bakkers, beautycentra, een ayurvedische massagesalon, bars met live muziek, kappers en internetcafés. Daarmee werd de wijk een hotel, met de straten als gangen.

Het zijn zomaar voorbeelden in een groeiende reeks. Het is niet te veel gezegd om te spreken van een op stoom komende cultuurinvasie in de achterstandswijken. Lange tijd dacht ik dat de ‘creatieve klasse’ op deze wijze hofleverancier zou worden van een nieuw type welzijnswerker. Maar na lezing van het verslag van Nazmiye Oral begrijp ik dat er iets anders aan de hand is. Het zijn geen nieuwe welzijnswerkers. Die oude gaan ook niet weg, en in tal van opzichten blijven zij ook nodig, want er zijn problemen, er zijn achterstanden, er is gedoe en geklooi met jongeren. Dat is hun pakkie an. En dat zal zo blijven. Maar hen spreken gaat altijd – impliciet of indirect – om een soort veroordeling, precies het gevoel dat de adoptiemoeder van Nazmiye Oral onder woorden bracht. Het gaat altijd om iets voor elkaar brengen dat er nu kennelijk niet is: een baan, goed opvoeden, gezond eten, goed de taal spreken. Dat is onvermijdelijk, geen welzijnswerker kan daaraan ontsnappen.

Kunstenaars en cultuurproducenten wel. Die hebben een andere agenda, spreken een andere taal. Niet het moeten, maar het zijn is daar het vertrekpunt; niet het meedoen, maar de verbeelding; niet de noodzaak, maar beleving.

Het is simpelweg een andere vorm van aandacht, een andere manier om in de huid van het leven in een wijk te kruipen, zoals Nazmiye Oral dat deed bij haar Groningse adoptiemoeder. Daarmee opent zich een geheel nieuwe dimensie van cultuurproductie, met nieuwe verbindingen tussen amateurkunst en professionele aanwezigheid, met real life soaps, met beeldschermen en nieuwe mediatechnieken in de wijk, de podia zijn scholen, pleinen, supermarkten en flatgebouwen in afwachting van de sloop of renovatie. Een muur wordt een schilderij, een groep randjongeren een dansgezelschap, een achterpad een galerie. Er staat daardoor een nieuwe culturele ruimte in de steigers, waarin bewoners – jongeren en ouderen op een geheel andere, een geheel eigen manier kunnen participeren.

Het wordt, kortom, een vrolijke boel, een ontmoeting met een open mind. Precies wat bestaande ‘sociale’ instituties niet kunnen brengen, al was het maar omdat ze eerst hun beeldschermen moeten openen en hun indicatieformulieren moeten invullen. Ze hebben gewoon niet de middelen om het wantrouwen te slechten, ze vertegenwoordigen immers het object van het wantrouwen en bevestigen dat elke dag weer. Ze komen nu eenmaal nooit zonder agenda, zonder vervolgafspraak, zonder bedoeling.

Ze moeten wat.

En precies dat is het verschil met de cultuurbrigades die nu de wijken intrekken. Die brengen wat. Fantasie, verbeelding, warmte (zoals Nazmiye Oral). Zij tonen een andere interesse, gaan op zoek naar de verhalen, de talenten, naar al die andere repertoires van de menselijke vermogens die ook in dit soort wijken liggen opgeslagen. En het grappige is dat ze daarmee wel eens eerder het wantrouwen weten weg te werken dan al die professionals die daar met al die extra gelden voor in de weer zijn. Misschien is dat wel de onbewuste reden waarom de instanties steeds vaker een beroep op hen doen. Dat is dan ook meteen het duivelse addertje onder het gras, want voor je het weet moeten er dan toch weer boodschappen worden overgebracht.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en journalist/ publicist. Dit artikel verscheen eerder op Kunstfactor.nl en is in overleg met Van der Lans ook op Republiek Allochtonië geplaatst. Meer over Jos van der Lans op zijn wesite.


Meer over achterstandsbuurten, cultuur, jos van der lans, kunst, multicultureel onbehagen, taal.

Delen:

Reageer




Reacties


Johan Andrée - 31/01/2012 16:13

Welzijnswerkers hebben wel degelijk een traditie in verbeeldende projecten. We noemden dat sociaal cultureel werk, maar helaas is deze werkvorm behoorlijk wegbezuinigd en wegbeleidsgeposterioriteerd.

ShabnamNL - 30/01/2012 12:38

Naar mijn menig te zwartwit gesteld. Of iemand onbevooroordeeld naar de ander kan luisteren en deze kan laten zijn wat hij is hangt naar mijn idee niet af van in "welke maatschappelijke rol" hij de ander benadert (als creatieveling of welzijnswerker "met boodschap"), maar van hoe die persoon is.
Een taal zonder oordeel kunnen we alemaal spreken als we onze vooroordelen eens opzij zetten en gewoon kijken en luisteren. Dat heeft niets met je beroep te maken, naar mijn mening.