Cultuursector te weinig herkenbaar voor jongeren met een migratieachtergrond

In opinie door Jacomijne Prins op 13-05-2019 | 09:29

De cultuursector wil graag ‘inclusief’ zijn en is voor film en theater op zoek naar meer diversiteit onder vertellers met nieuwe verhalen. Maar als die verhalen beperkt blijven tot jongeren die kampen met identiteitsproblemen en discriminatie, dan dragen ze niet bij aan meer inclusie.

De Nederlandse samenleving kent op dit moment een heleboel verhalen waarin jongeren met een migratieachtergrond zich niet herkennen. Van verhalen over gastarbeiders, over de mocro-maffia, over radicalisering en terrorisme, tot verhalen over zwarte piet.

Deze jongeren zijn op zoek naar manieren om hun gevoelens van afkomst en identiteit, maar ook van verbinding met de Nederlandse samenleving van betekenis te voorzien. De culturele sector is bij uitstek de context waarin geëxperimenteerd kan worden met nieuwe ideeën over afkomst en identiteit, maar voorziet op dit moment niet of onvoldoende in deze behoefte.

Cultuursector worstelt met representatie

Ondanks dat in grote steden als Rotterdam en Amsterdam een aanzienlijk deel van de bevolking geen witte autochtone Nederlander is, blijft het overgrote deel van het cultuuraanbod gericht op deze groep. Er is wel aandacht voor jongeren met een migratieachtergrond, maar zij figureren vaak als jongeren die kampen met identiteitsproblemen, extremisme[i], vooroordelen en discriminatie[ii]. Deze onderwerpen maken weliswaar deel uit van hun ervaring, maar een belangrijk deel daarvan wordt hierdoor niet onderkend.

Grote culturele instellingen proberen inclusiever te worden door nieuwe vertellers - vaak jonge makers met een migratieachtergrond - aan zich te binden. Maar vaak worden zij aangesteld om bekende verhalen te vertellen, vanuit een vertrouwd (lees: wit) perspectief, of om met hun genres/verhalen tijdelijk een publiek aan te trekken dat bestaat uit jonge mensen met dezelfde achtergrond als zijzelf. Op deze manier zijn culturele instellingen (tijdelijk) inclusief zonder dat er wezenlijk iets verandert aan het witte karakter van de instelling.

Jonge makers zorgen zelf voor vernieuwing

Culturele instellingen willen dus wel inclusief zijn, maar weten niet hoe. Terwijl ze zich bezighouden met de vraag hoe hun personeelsbestand, hun programmering, hun partners en hun publiek diverser kunnen worden[iii], timmeren makers met een migratieachtergrond intussen in de marge al jaren aan de weg met hun eigen voorstellingen.

Hierin vertellen zij hun eigen verhalen, op manieren die aansluiten bij hun eigen belevingswereld. Er is wel aandacht voor hun etnische of culturele achtergrond, maar deze is niet leidend. De verhalen zijn alledaagser en universeler, en niet het perspectief of de problemen van de groep staat centraal, maar de persoon.

Voorstellingen als ‘mijn vader de expat’ en ‘toen ma naar mars vertrok’ van Abdelkarim El-Fassi (over zijn vader en moeder die vanuit Marokko naar Nederland migreerden en hier een bestaan opbouwden), maar ook ‘A Kiss’ (over een verliefde jongen in een asielzoekerscentrum) of ‘Kinderen van Aleppo’ (over studenten die in verzet komen tegen het regime van Assad) zijn voorbeelden van dit type voorstellingen.

Ze zijn gebaseerd op de ervaringen van jonge mensen die een geschiedenis van migratie hebben, maar bieden herkenning op basis van herkenbare persoonlijke ervaringen - van liefde, hoop en verlies - en op basis alledaagse, herkenbare contexten en conversaties.

Behoefte aan (h)erkenning

Deze voorstellingen zijn belangrijk omdat ze aansluiten bij de behoefte van jongeren om zichzelf te kunnen herkennen zoals ze zichzelf zien: als zoons of dochters, vaders of moeders, studenten, mensen die geluk en verlies kennen, die verliefd zijn of zijn geweest, die soms sterk zijn, en soms zwak. Mensen die goede keuzes willen maken voor hun geliefden en hun omgeving, wat soms lukt en soms niet. De manier waarop ze deze ervaringen beleven wordt ingegeven door hun migratiegeschiedenis, maar net zo goed door hun verbintenis met de Nederlandse samenleving.

De genoemde voorstellingen helpen deze jongeren om hun identiteit van betekenis te voorzien. Die is niet noodzakelijkerwijs positief, maar meervoudig: ze doet recht aan de complexiteit van hun ervaringen en identiteiten. En ze geeft jongeren een gevoel van erkenning. Vaak zijn jongeren nog op zoek naar de afbakening van hun identiteit; deze voorstellingen laten zien dat ze niet op zoek hoeven te zijn. Ze zijn goed zoals ze zijn.

Dat verhalen die hun ervaringen op deze manier adresseren succesvol zijn, blijkt onder andere uit de bezoekersaantallen van met name de voorstellingen ‘Mijn vader de expat’ en ‘Toen ma naar Mars vertrok’ van ZOUKA Media die zowel in de theaters (beide voorstellingen rond de 10.000 bezoekers) als op de televisie (resp. 150.000 en 250.000 kijkers) veel publiek trokken.

Migratie is niet meer leidend

De genoemde voorstellingen bieden herkenning op basis van universele thema’s, maar over het algemeen blijft de migratiegeschiedenis van de makers in veel film- en theatervoorstellingen wel het uitgangspunt. Ervaringen die betrekking hebben op belangrijke menselijke thema’s als liefde, hoop, ziekte en verlies blijven ondergeschikt, terwijl de migratieachtergrond in het dagelijks leven steeds meer op de achtergrond komt te staan.

Tegelijkertijd kleurt die migratiegeschiedenis wel thema’s als liefde, hoop, ziekte en verlies. Deze thema’s zijn universeel, maar ze worden niet door iedereen op dezelfde manier beleefd. Voor jongeren met een migratieachtergrond ziet liefde en romantiek er vaak anders uit dan voor de kijkers van bijvoorbeeld ‘Alles is liefde’.

Geef makers de ruimte

Voor het perspectief dat makers meenemen op andere thema’s dan (hun eigen) migratie is in de cultuursector vaak geen plaats. Een maker met een Marokkaanse achtergrond die een film wil maken over de liefde zal aanlopen tegen de vraag: ‘Hoe heeft dit onderwerp betrekking op jouw achtergrond?’ De achtergrond van de maker wordt relevant geacht omdat hij een ‘nieuw verhaal’ toevoegt over de ‘ander’, terwijl de maker niet voelt dat hij nieuw is of anders.

Makers met een migratieachtergrond werken hard om met hun voorstellingen hun perspectief op belangrijke thema’s inzichtelijk te maken. Daarbij past dat culturele instellingen open staan voor hun verhalen, en hen zeggenschap geven over thema’s buiten de geijkte domeinen.

Jacomijne Prins is zelfstandig onderzoeker en deed onderzoek voor onder andere Fonds z.o.z. en de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid. Ze is als docent verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit artikel verscheen eerder op de website Sociale Vraagstukken en is in overleg ook op Republiek Allochtonië geplaatst. 

 

Voetnoten 
[i] Layla M., Nadia, Jihad, de voorstelling, I call my brothers, Kefir, Strijders.

[ii] Fair Play, Fuck the Police, Count me in.

[iii] Culturele instellingen werken met een diversiteitsbeleid dat is gebaseerd op deze zogenaamde 4 p’s.

Foto: Toen ma naar Mars vertrok - Zouka Media


Wilt u dat Republiek Allochtonië blijft bestaan? Waardeert u ons vrijwilligerswerk? We kunnen uw steun goed gebruiken. U kunt Republiek Allochtonië steunen en een klein (of groot) bedrag doneren (nu ook via I-deal)

Neem een abonnement op onze dagelijkse nieuwsbrief: Subscribe to Republiek Allochtonië by Email


Meer over cultuur, diversiteit, inclusiviteit, theater.

Delen:

Reageer