Brengt een hoofddoek de neutraliteit van de overheid in gevaar?

In opinie door Youssef op 04-12-2017 | 07:57

Er is recentelijk een discussie opgelaaid over de vraag of de Nationale Politie een geüniformeerde agente mag toestaan om een hoofddoek te dragen. Tot mijn grote verbazing observeer ik dat alle deelnemers aan het debat ongegronde of emotionele of onvolledige standpunten hanteren.

Politieke partijen als VVD, PVV en CDA hebben onverstandige statements gemaakt. Zij vinden dat de minister het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens niet over moet nemen zonder daarbij inhoudelijk te beargumenteren waarom zij dat vinden. Bovendien benadrukken zij dat het oordeel van het College niet bindend is nu het hun niet goed uitkomt. Men heeft geen flauw benul van wat het neutraliteitsprincipe werkelijk inhoudt vanuit een juridisch kader en vanuit historisch perspectief. Ik zal dit verder toelichten in mijn slotalinea.

Ik las de column ‘hoofddoek doet afbreuk aan partijdigheid’ van John van de Heuvel in de Telegraaf op 21 november jl. met lede ogen. Ongelooflijk! Sinds wanneer heeft John van de Heuvel zich ontpopt als jurist of Imam? Hij heeft een achtergrond bij de politie, maar is zijn mening over Islam en de rechtsorde aan het rondbazuinen op grond van zijn gevoel zoals hij zelf aangeeft. Meneer houdt er een opvatting op na die hij niet met bronnen staaft.

Hij zegt: “Het College voor de Rechten van de Mens vindt vrijheid van religie kennelijk belangrijker dan het uitstralen van neutraliteit door de politie.”

Wat dacht hij dan? De religieuze vrijheid is een artikel uit de Nederlandse Grondwet: dit is de hoogste nationale wet in hiërarchie na het statuut van het koninkrijk. Alleen Europese en internationale verdragen hebben voorrang. Terwijl aan de andere kant het neutraliteitsprincipe niet gecodificeerd is en derhalve geen onderdeel van enige wet uitmaakt. Kortom, de godsdienstvrijheid is een integraal onderdeel van onze constitutie en de neutraliteit is slechts een gewoonteregel.

Voorts ben ik het als jurist gedeeltelijk ook niet eens met de beredenering van het College. Het College meent dat een politievrouw in kwestie voornamelijk telefonisch aangiftes registreert, zodoende is ze niet zichtbaar voor burgers en mag ze dus een hoofddoek dragen. Wat als ze wel visueel zichtbaar is voor de burgers? Geldt de godsdienstvrijheid opeens niet meer als men in contact komt met burgers? Men blijft maar rond de pot draaien met halve feiten en persoonlijke opinies.

Het College meent ook dat een politievrouw met hoofddoek wel haar werk veilig kan doen, want het opnemen van aangiften vindt soms plaats met behulp van een videoverbinding. Critici zijn op hun beurt van mening dat het College hiermee de problematiek niet oplost, want politieagenten nemen aangiften ook in persoon op. Beiden hebben het mis met hun tegenovergestelde opvattingen.

John van de Heuvel zegt op zijn beurt: “Burgers hoeven zich niet te vermoeien met de vraag of een politieman of -vrouw rooms-katholiek, boeddhist, protestant of moslim is.” Laten we de wet erop na slaan of dat werkelijk zo is. En ik ga het specifieke verdrag en artikel noemen.

In artikel 9, lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) staat expliciet beschreven dat een ieder het recht heeft op vrijheid van godsdienst e.d. Dit recht omvat de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. In lid 2 wordt het nog leuker; men mag dit in geen geval beperken! Dit wetsartikel is zo duidelijk als de klaarlichte dag.

Critici zullen als tegenargument aanvoeren dat in lid 2 van hetzelfde artikel ook uitzonderingsbepalingen worden vermeldt waardoor een beperking wel toegestaan is, zoals wanneer de veiligheid in ‘gevaar’ is of de openbare orde. Dan komen we weer terug bij de discussie en vragen we terecht af of het dragen van een hoofddoek in ooit de veiligheid en de openbare orde heeft aangetast? Uit de praktijk blijkt dat dit niet het geval is, dus waar maakt men zich eigenlijk druk om?

John van de Heuvel gaat verder met zijn “pleidooi”: “Het dragen van een hoofddoek is een vorm van aanbidding van Allah. Een aangever van een misdrijf hoeft niet met die geloofsovertuiging te worden geconfronteerd, zegt hij”. Wat hij niet weet is dat elke handeling die per definitie voor de zaak van Allah wordt verricht een vorm van ibaada (aanbidding) is. o is reanimeren een vorm van aanbidding. Werken om geld te verdienen en bijdragen leveren in de maatschappij zijn allen ook vormen van aanbidding. Als we de logica van John van de Heuvel gebruiken dan mogen Moslims niks meer doen.

Als laatst wil ik het debat rondom neutraliteit oplossen. Met de Verlichting en de Franse Revolutie kwam de scheiding van kerk en staat tot stand. Sindsdien is in de loop van de 19e en 20e eeuw ‘neutraliteit’ geïntroduceerd. Wat men er niet bij zegt is dat sinds de ‘neutraliteit’ werd ingevoerd de hoofddoek in Frankrijk en Europa zichtbaar was in het straatbeeld, in openbare gebouwen en op de werkvloer! Het dragen van een hoofddoek druiste derhalve niet in tegen het ‘neutraliteitsprincipe’ en werd geaccepteerd in de publieke ruimte. Wat houdt het neutraliteitsprincipe dan wel in? Gelovigen mogen bijvoorbeeld de politiek niet als een instrument gebruiken om andersdenkenden te vervolgen.  En politiek mag geen wetten uitvaardigen om de hoofddoek te verbieden. In die zin moet het ‘neutraliteitsprincipe’ worden begrepen.

Het Internationale Hoofd van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, de Vijfde Khalifa (Kalief), Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad werd op 17 oktober 2016 verwelkomd in het Canadese Parlement door, de Eerbiedwaardige Justin Trudeau, Premier van Canada, Kabinetsleden en meer dan 50 Parlementsleden en Senatoren. Hazrat Mirza Masroor Ahmad zei:

“Het is niet wijselijk voor overheden of parlementen om beperkingen te plaatsen op de fundamentele religieuze gebruiken of overtuigingen van mensen. Overheden zouden zich bijvoorbeeld niet bezig moeten houden met wat voor soort kledij een vrouw kiest om te dragen (…) Als zij hun boekje zo te buiten gaan zal het aanleiding geven tot onrust en het toenemen van frustraties onder hun eigen volk. Dergelijke wrok zal alsmaar toenemen indien ongemoeid gelaten en zal uiteindelijk de vrede in de maatschappij bedreigen.”

“Het is de taak van de overheid en de parlementsleden, als bewakers van hun naties, om de wetgeving zodanig op te stellen dat hun burgers rechten verwerven in plaats van hen rechten te ontnemen.”

“...wanneer er een risico voor extremisme of het aanzetten tot haat bestaat, dan is het de taak van de overheden om in te grijpen en kordate stappen te ondernemen om hun bevolking te beschermen.”

In het proefschrift ‘Vrijheid van godsdienst in een democratische samenleving’ van Hendrik Albertus Post verwijst hij naar een stuk dat geschreven is door Hirsch Ballin[*], hoogleraar aan de universiteit van Tilburg, en legt hij verder uit wat het neutraliteitsprincipe inhoudt:

“Een hoofdkenmerk van de moderne westerse samenleving is haar grote diversiteit aan groeperingen, levensstijlen, levensovertuigingen en religies. De in Nederland bestaande religieuze verdeeldheid vereist dat de staat zich neutraal opstelt en religieuze minderheden hun plaats gunt. Dit betekent dat de overheid niet categorisch groepen uitsluit op grond van hun overtuiging. De burger verwacht van de staat dat hij de levensbeschouwelijke en godsdienstige pluriformiteit eerbiedigt. De neutraliteit van de staat laat ruimte voor een gevarieerd stelsel van waarden en een verscheidenheid van uitingen van religie in de openbare sfeer. Ze impliceert de vrijheid om te leven naar de eigen godsdienstige waarden en normen. Deze neutraliteit is vooral controversieel waar zij leidt tot botsingen tussen de normen en praktijken van bepaalde religieuze minderheden en die van de meerderheid. De neutraliteit van de staat vereist geenszins dat de staat religieuze uitingen verbiedt in de publieke ruimte. Het is zelfs in strijd met de neutraliteit en de gelijke behandeling van alle burgers. De neutraliteit van de staat vraagt om het respecteren van het recht van alle burgers hun leven overeenkomstig hun persoonlijke overtuiging in te richten binnen de grenzen van de rechtsstaat.”

 

Youssef, jurist en lid Moslimschrijversgilde

 

[*] E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Staat en kerk, kerk en staat’, in: S.C. den Dekker-van Bijsterveld, Kerk en staat. Hun onderlinge verhouding binnen de Nederlandse samenleving, Baarn: Amboboeken 1987, p. 13

Foto: screenshot nieuwsuur

Zie ook:

De Nederlandse politie is helemaal niet neutraal


Meer over hoofddoek, politie.

Delen:

Reageer




Nieuwsbrief