Weerstand tegen migranten staat los van werkgelegenheid

In achtergronden door Jeroen van der Waal op 02-02-2012 | 09:08

Tekst: Jeroen van der Waal

De instroom van laaggeschoolde migranten is goed voor de economie, wordt vaak betoogd. Maar in bepaalde stedelijke gebieden met een industrieel verleden, zoals Rotterdam, is juist ook sprake van verdringing op de arbeidsmarkt. Maar dit verklaart niet de weerstand tegen migranten, zegt Jeroen van der Waal, socioloog aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Nederland kende de afgelopen decennia een aanzienlijke instroom van laaggeschoolde migranten. Hoewel het niet enkel arbeidsmigranten betreft, is het overgrote deel voor zijn levensonderhoud wel afhankelijk van de arbeidmarkt.

Conform de economische theorie worden we met zijn allen welvarender wanneer laaggeschoolde immigranten in een land als Nederland arbeidsplaatsen vervullen. Echter, de instroom van laaggeschoolde migranten leidt niet alleen tot macro-economische groei, maar ook tot verdringing op de arbeidsmarkt. Door immigratie neemt het arbeidsaanbod sterk toe, terwijl de vraag naar arbeid niet evenredig stijgt. Dit leidt tot dalende lonen van laaggeschoolden en voor hen een grotere kans op werkloosheid. Maar verschillende overzichtsstudies tonen aan dat dit verdringingseffect gemiddeld genomen zwak is, en zich slechts voordoet op de korte termijn.

Grote regionale verschillen

Het effect kan gemiddeld genomen dan wel zwak zijn, binnen landen zijn er grote regionale verschillen. Dat heeft ermee te maken dat voormalige industriesteden, zoals Rotterdam en in Limburg, inmiddels kampen met hoge werkloosheid onder de laaggeschoolde bevolking door het wegvallen van industriële werkgelegenheid. Steden als Amsterdam en Utrecht, met een meer op diensten georiënteerde economie, kennen aanzienlijk minder werkloosheidsproblemen (Van der Waal 2010b). Financiële dienstverlening, consultancy etc. scheppen namelijk veel werkgelegenheid voor laaggeschoolden in ondersteunende diensten, zoals schoonmaak, catering en beveiliging. Deze vraag naar laaggeschoolde arbeid ontbreekt veelal in de meeste voormalige industriesteden.

Nu komt de vestiging van migranten in Nederland niet overeen met wat op basis van economische theorie verwacht mag worden, zo blijkt uit recent onderzoek. De migranten trekken namelijk zowel naar de industriesteden als naar de dienstensteden: dus zowel naar steden met veel als met weinig werkloosheid (Van der Waal 2010ba). Het aanbod van werk speelt dus voor hen geen rol. Redenen voor vestiging zijn waarschijnlijk de kosten en mogelijkheden van huisvesting en verwantschapsnetwerken. In Rotterdam is het aanbod van goedkope huisvesting bijvoorbeeld groot.

Deze bevinding werpt een heel nieuw licht op onderzoeken die suggereren dat er maar in beperkte mate sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt door immigratie. Vestiging van laaggeschoolde migranten in industriële steden, waar de vraag naar laaggeschoolde arbeid laag is, zal logischerwijs sterker tot verdringing leiden dan vestiging in dienstensteden met een hoge vraag naar laaggeschoolde arbeidskrachten.

Nu zou men ook kunnen verwachten dat laaggeschoolde autochtonen in industriesteden minder gelukkig zijn met immigranten dan laaggeschoolde autochtonen in dienstensteden. Weerstand jegens andere etnische groepen zou het gevolg zijn van een strijd om schaarse hulpbronnen (Olzak 1992). En inderdaad, laaggeschoolde autochtone stedelingen zijn in de meest industriële Nederlandse steden meer op de eigen etnische groep gericht dan hun tegenhangers in de meest dienstengeoriënteerde steden (Van der Waal en Houtman 2011). Maar, voor dit patroon blijkt een andere verklaring verantwoordelijk.

Etnocentrisme

Het etnocentrisme van laaggeschoolde autochtonen blijkt niet te worden veroorzaakt door een zwakke economische positie, maar door een laag niveau van cultureel kapitaal en de daarmee gepaard gaande problemen in de omgang met culturele verschillen (Van der Waal et al. 2010, Van der Waal en Houtman 2011). Hierdoor worden migranten als vreemd of anders gecategoriseerd, wat voorafgaat aan de wens om andere etnische groepen uit te sluiten van schaarse hulpbronnen. Het sterke etnocentrisme van laaggeschoolde autochtonen in de meest industriële steden heeft dan ook niets van doen met verdringing op de arbeidsmarkt. Een minder tolerant cultureel klimaat daarentegen wel.

In Westerse landen gaat de mate waarin een stedelijke economie op diensten georiënteerd is sterk samen met de mate waarin er sprake is van een tolerant cultureel klimaat (Van der Waal 2010b).

Verschillen in culturele sfeer

Het is hierbij belangrijk om te benadrukken dat dit klimaat geen demografisch verschijnsel betreft: er is geen sprake van een optelsom van tolerante individuen, maar van een atmosfeer die de tolerantie van stedelingen beïnvloedt. Steden met het meest tolerante culturele klimaat – met als archetypische voorbeelden Amsterdam, Berlijn en San Francisco – hebben over het algemeen ook een meer op diensten georiënteerde economie.

Hun industriële tegenpolen kennen dus doorgaans het minst tolerante culturele klimaat, en dit klimaat blijkt verantwoordelijk voor het sterke etnocentrisme van haar laaggeschoolde autochtone bevolking (Van der Waal en Houtman 2011). Dat laaggeschoolde autochtonen in steden als Rotterdam minder gecharmeerd zijn van immigranten is dus een kwestie van culturele atmosfeer, en heeft niets van doen met verdringing op de arbeidsmarkt.

Jeroen van der Waal is als socioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Dit artikel is de verkorte versie van het artikel te verschijnen in TSS, Tijdschrift voor sociale vraagstukken, 2, 2012.
Het artikel is eerder verschenen op de website voor sociale vraagstukken (zie daar ook een literatuurlijst) en op het weblog sargasso en in overleg ook op republiek Allochtonië geplaatst.


Meer over discriminatie, economie, etnocentrisme, jeroen van der waal, multiculltureel onbehagen, onderzoek, werkgelegenheid.

Delen:

Reageer




Reacties


koos zevenbergen - 03/02/2012 11:10

Marx zou zich in zijn graf omdraaien en misschien wel terecht. Als 75-jarige socioloog breng ik het helaas niet meer op om dit artikel te analiseren.