Waarom al die ophef over financieringslijsten uit de Golfstaten ? (deel 2)

In achtergronden door Roemer van Oordt op 01-05-2018 | 17:07

Over de financiering van moskeeën wordt veel gespeculeerd, zeker over de bekostiging van grootschalige nieuwbouwprojecten. Daarbij gaat het om de invloed die buitenlandse geldschieters - vaak uit de rijke Golfstaten – in ruil voor financiering zouden krijgen op het religieuze beleid van de moskee, inclusief de keuze voor de (gast)imam en soms ook om de rol en achtergrond van de ingeschakelde ‘fondswerver’. Dergelijke kwesties speelden bij de vestiging van de eerste moskeeën nog nauwelijks. Het openbaar maken van vertrouwelijke lijsten met aanvragen en overmakingen door NRC en Nieuwsuur brachten, samen met hun reportages uit Geleen en Den Haag, de zaak opnieuw in de publieke en politieke schijnwerpers. Dit tweede, afsluitende deel focust - na een duidende inleiding - op de inhoud en implicaties van de lijsten zelf, de reacties daarop van moskeebestuurders en de betrokkenheid van gemeenten.

Vooraf
Van oudsher wordt de bouw van het gros van de moskeeën - vaak met veel moeite en jarenlange inspanning - gefinancierd met het geld of sieraden die door bestuurders en vrijwilligers waren ingezameld bij de eigen achterban of bij die van andere (bevriende) moskeeën. Gesprekken in en eigen observaties uit de afgelopen twee decennia geven een beeld van een carrousel van vertegenwoordigers van moskeeën in oprichting, die het land rondtrekken om voldoende geld bij elkaar te krijgen.. Door het grote aantal verzoeken bestaat daarvoor bij de bekende moskeeën met een grote gemeenschap een wachtlijst. Haalbaarheid van het project, kwaliteit van de presentaties en onderlinge relaties bepalen de uiteindelijke keuzes.

In de jaren ’70 werden verschillende moskeeprojecten gerealiseerd met veel steun van autochtone zaakwaarnemers, vaak uit kerkelijke kring,  die niet alleen hielpen bij fondswerving, maar ook (financiële) medewerking van de gemeente vroegen en de omwonenden informeerden. In enkele gevallen werden toen al initiatieven ontwikkeld waarbij financiële steun uit de Arabische wereld werd gevraagd, maar dat was meestal zonder succes. Vanaf begin van de jaren ’80 groeide het aantal Marokkaanse en Turkse initiatieven mede door de gezinsherenigingen gestaag, doorgaans met weinig steun van buitenaf, nauwelijks financieel draagvlak en zonder veel overleg met de plaatselijke autoriteiten en bevolking. Dat leidde soms tot ongeschikte of  illegale gebedsruimten.

Vanuit de Turkse gemeenschap was vanaf het eind van de jaren ‘80 steeds vaker sprake van goed gecoördineerde projecten onder leiding van deskundigen uit eigen kring, die geleverd werden door de strak georganiseerde koepelorganisaties. Bekendste voorbeeld is het Turkse Directoraat voor Godsdienstzaken (Diyanet), dat imams laat overvliegen en betaalt en waarvan de Nederlandse afdeling (Islamitische Stichting Nederland; ISN) 145 moskeeën in Nederland beheert.

Tegelijkertijd werd vanuit Nederlands- Marokkaanse kant steeds vaker een beroep gedaan op de mogelijkheden die de olierijke staten uit de Golf, maar soms ook uit Libië werden aangeboden. De doorgaans slechte organisatiegraad maakte de Marokkaanse gemeenschap kwetsbaarder voor invloeden van buiten.

Deze ontwikkeling werd beïnvloed en versterkt door veranderend beleid in Nederland. Met de beëindiging van de financiële relatie tussen Kerk en Staat door een wetswijziging in 1983 kwam er een einde aan de Wet Premie Kerkbouw en konden moskeeën niet meer bij de overheid aankloppen voor medefinanciering. Plaatselijke overheden maakten daar nog wel eens uitzonderingen op. Zo kon bijvoorbeeld de bouw van de Taiba moskee in de Amsterdamse Bijlmer in 1984 en1985 nog rekenen op gemeentelijke subsidie van een kwart miljoen gulden; 15% van de totale bouwkosten.

Beïnvloeding van buiten
Invloed vanuit het land van herkomst of uit gefortuneerde oliestaten in het Midden-Oosten werd aanvankelijk gedoogd vanwege de vrijheid van godsdienst en de scheiding van Kerk en Staat.  Maar die houding had zeker ook te maken met zakelijke en geopolitieke afwegingen en belangen. In de jaren ‘80 was Saoedi-Arabië bijvoorbeeld nog partner van het Westen in Afghanistan en nog geen verdachte bron. Sinds 11 september 2001 wordt de bemoeienis steeds meer geproblematiseerd en gepolitiseerd. Want in hoeverre is de uitdrukking ‘Wie betaalt, bepaalt’ van toepassing? De discussie daarover kwam pas echt op gang na Kamervragen over de financiering van de Amsterdamse Blauwe Moskee in 2012 en het 30-leden debat in september 2013 over buitenlandse financiering van moskeeën. En nu dus de mediacampagne van NRC en Nieuwsuur.

Lijsten
NRC en Nieuwsuur komen naar buiten met drie lijsten. Twee uit Koeweit, waarvan één met financieringsverzoeken en een tweede met uitgekeerde bedragen van samen bijna 6 miljoen euro. De lijst uit Saoedi-Arabië bevat alleen verzoeken om financiële steun, die dateren van vóór 2014. De journalisten tellen bij de 30 organisaties op de lijsten 9 organisaties op die de AIVD al jaren in het vizier heeft en komen tot de slotsom dat ‘van de circa 450 islamitische organisaties in Nederland bijna 10 procent contact heeft met landen uit de Golfregio over financiering, of daadwerkelijk vanuit die landen is gefinancierd’.  Daarbij tekenen ze aan dat de lijsten geen compleet beeld geven. Zelf ‘legden ze al een Koeweitse financieringsstroom bloot’ en informatie uit Qatar en de VAE ontbreekt omdat over het in vertrouwen vrijgeven van dergelijke lijsten door Buitenlandse Zaken met hen nog wordt onderhandeld.

Op deze ‘onthulling’ valt nogal wat af te dingen en aan te vullen. Allereerst zijn er veel meer dan 450 islamitische organisaties in Nederland. Waarschijnlijk wordt hier specifiek gedoeld op moskeeën. Belangrijker is dat nagenoeg geen enkele Turkse moskee ooit financiering uit de Golfregio heeft aangevraagd, laat staan gekregen. De discussie spitst zich hier voornamelijk toe op (plannen voor) moskeeën met Nederlands-Marokkaanse initiatiefnemers, of waar bekeerlingen bij betrokken zijn. Dat is nog niet de helft van de islamitische gebedshuizen in Nederland.

Nog belangijker voor de beeldvorming is de verhouding tussen aanvragen en daadwerkelijke financiering. Het gaat in de meeste gevallen om verzoeken. Uit recente gesprekken met een aantal eerste en tweede generatie bestuurders van moskeeën die op de lijsten van aanvragers voorkomen, blijkt dat zij inderdaad een verzoek hebben ingediend bij één of meerdere ambassades uit de Golfregio in Nederland, maar daar soms niet eens een reactie op kregen en in ieder geval ‘geen cent ontvingen’. Veel van hen gaven aan nooit met enige voorwaarde voor financiering akkoord te zullen gaan. Van één van hen hoorde ik dat toen er bij een eerder verzoek daartoe in 2004 wél inhoudelijke eisen werden gesteld, de aanvraag direct werd ingetrokken. Via de Nederlandse ambassade contacten hebben met, is iets wezenlijks anders dan onder invloed staan van de Golfregio.  

Dat die verzoeken werden gedaan heeft overigens ook te maken met de soms eindeloos lijkende weg en de steeds beperktere mogelijkheden van sponsoring, benefietbijeenkomsten en inzamelingsacties bij andere moskeeën. Niet iedereen vindt een plaats in de binnenlandse financieringscarrousel.

Problemen
Natuurlijk zijn er ook forse problemen. De uitzending van Nieuwuur en het artikel in de NRC over de moskee in Geleen geven daar een klassiek voorbeeld van. Los van de nogal sensationele manier van filmen, wordt in de uitzending een helder beeld geschetst van hoe een eerste generatiebestuur zich laat meenemen, maar daarna laat overrompelen door het enthousiasme van een nieuwe generatie. Een door de islam op het rechte pad gekomen bekeerling met, naar later bleek, plannen die op geen enkele manier pasten bij de wensen en behoeftes van de plaatselijke Nederlands-Marokkaanse moslimgemeenschap zet de lijnen uit. De door alle bezoekers gedoneerde 1.750 Euro voor een haalbaar project, maakt onder zijn leiding en inspanningen plaats voor een gigantisch centrum met internationale uitstraling, dat onder meer bibliotheek, scholen, winkels, gebedsruimten en een conferentiecentrum op 13.000m2 huisvest. De inhoudelijke invloed komt met de financiële middelen mee. De oude imam wordt weggepest, de nieuwe (gast)imams slaan een op z’n zachts gezegd minder verbindende toon aan, met alle (potentiële) gevolgen van dien. Het protesterende deel van de oude kern kreeg een Fatwa om de oren en heeft inmiddels een voormalige dansschool omgebouwd tot gebedsruimte.

Gemeenten
Volgens Nieuwsuur en NRC weten gemeenten vaak niets van dit soort ontwikkelingen, terwijl Buitenlandse Zaken wel van (de meeste) financieringsverzoeken op de hoogte is. Ook dat verhaal verdient wat mij betreft nuancering. Het vorige kabinet heeft wel degelijk gesprekken gevoerd met gemeenten, lokale partners en gemeenschappen over hoe er meer transparantie kan komen over financieringsstromen vanuit het buitenland. Stichtingen met een ANBI-status (belastingaftrekbare giften), waaronder verenigingen, kerken en moskeeën vaak bewust vallen, moeten bijvoorbeeld per januari 2016 openheid geven in hun financiële jaaradministratie en jaarverslagen. Handhaving is hier overigens wel essentieel.

De lijsten uit Koeweit zijn onder mediadruk in 2017 met gemeenten gedeeld. Dat BZ daar niet snel en scheutig mee was en zal blijven, heeft alles te maken met de vertrouwelijkheid waarmee die lijsten gedeeld worden vanuit de Golfregio en de angst om die broodnodige informatieverstrekking te verliezen. Bovendien ging het in nogal wat gevallen op de lijst om relatief kleine financiële donaties, die dateren uit de periode 2010-2013 of zelfs daarvoor en waarvan de invloed beperkt is.

Of je aanwezige informatie over substantiële financiële en inhoudelijke betrokkenheid uit de Golfregio bij grootschalige nieuwbouwprojecten moet overdragen aan plaatselijke bestuurders en ambtenaren is de vraag. Bij hen ontbreekt - waarschijnlijk op de grote steden na - vaak de expertise, menskracht of de tijd om de ontwikkelingen op hun merites te kunnen volgen en beoordelen. Dat gat dicht je niet met een spoedcursus door de Expertise Unit Sociale Stabiliteit van het ministerie van SZW. Relevant is zeker wel of er genoeg actie door de verantwoordelijke ministeries en door de veiligheidsdiensten wordt ondernomen om gemeenten en gemeenschappen tegen onwenselijke ontwikkelingen te beschermen. NRC en Nieuwsuur zijn er in ieder geval net als een fors deel van de Kamer van overtuigd dat het daaraan volledig heeft ontbroken.

Hoe verder?
In gesprekken die ik de afgelopen jaren over die onderwerp voerde met bestuurder van de Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties in Nederland (UMMON) Driss Boujoufi, kwamen veel van de hierboven gesignaleerde dillema’s terug. Boujoufi weet waar hij het over heeft. Al in de jaren negentig voorkwam hij door persoonlijk ingrijpen met een aantal bondgenoten ‘verkeerde overnames’ van moskeeën. Boujoufi is geen tegenstander van buitenlandse financiering, maar maakt wél een duidelijk onderscheidt tussen bekostiging van moskeebouw en van de dagelijkse exploitatie.

Boujoufi:

Buitenlandse financiering van de exploitatie van een moskee kan zonder keiharde, heel duidelijk vastgelegde afspraken, waar ook de bezoekers bij zijn betrokken, vroeg of laat leiden tot ongewenste inmenging in de interne aangelegenheden. Maar als een realistisch bouwplan aan een ambassade uit de Golfstaten in Nederland wordt voorgelegd voor financiering of een deel daarvan, dat wordt gedragen en gesteund door de gemeenschap en waarover richting alle betrokkenen transparant is gecommuniceerd, dan zie ik niet zoveel problemen. Je zou nog kunnen denken aan een soort keurmerk waaraan zo’n aanvraag zou moeten voldoen en dat door alle partijen wordt onderschreven. Gemeenten kunnen dat dan prima oppakken.

Maar dat krijgt wat Boujoufi betreft een andere betekenis bij omvangrijke bouwprojecten:

Bij grootschalige projecten die vaak veel verder gaan dan een gebedsruimte en wat lokalen voor sociaal-maatschappelijke activiteiten en lessen ligt dat anders. Dan gaat het om heel veel geld en komen er zaken bij kijken die op gemeentelijk niveau vaak moeilijk kunnen worden ingeschat. Daar ligt een rol voor de landelijke overheid. Op dat niveau is de inzet op een convenant tussen alle relevante partijen een optie die we serieus moeten bekijken. Zelf ben ik voorstander, ook al zou zo’n convenant specifiek gericht zijn op de moslimgemeenschap. Want laten we wel zijn, we hebben een aantal problemen die vragen om een gezamenlijke oplossing en dus om onderlinge samenwerking.


Lees ook: 

Waarom al die ophef over financieringslijsten uit de Golfstaten ? (deel 1) en
 
Kamer: Buitenlandse geldkraan voor moskee moet dicht

 

Waardeert u ons werk? U kunt Republiek Allochtonië steunen en een klein (of groot) bedrag doneren (nu ook via I-deal)
 

 


Meer over buitenlandse financiering, bz, driss boujoufi, exploitatie, geleen, gemeenten, golfregio, moskeeën, moskeebouw, scheiding van kerk en staat, szw, ummon.

Delen:

Reageer