Noodzaak en effect van antidiscriminatieprogramma’s in het primair onderwijs

In achtergronden door Eva Klooster op 15-03-2011 | 12:21

tekst: Amy-Jane Gielen en Eva Klooster

Sinds 2006 hebben alle Nederlandse scholen de wettelijke verplichting om actief burgerschap en sociale integratie - waar antidiscriminatie een onderdeel van is - te bevorderen. Daarnaast is in september 2010 een motie van de Tweede Kamer aangenomen, om homoseksualiteit bespreekbaar te maken in het onderwijs. Hoewel er al jaren ervaring is met aanpakken van discriminatie via het onderwijs, is er tot nu nog weinig (grootschalig) onderzoek gedaan naar de effecten ervan.

Voor een onderzoek naar de effecten van een antidiscriminatie lesprogramma in het primair onderwijs namen wij het antidiscriminatieprogramma Gelijk=Gelijk? onder de loep. Het programma is bedoeld om discriminatie te voorkomen en besteedt specifieke aandacht aan het tegengaan van homofobie, islamfobie en antisemitisme.

In totaal deden aan ons onderzoek 380 leerlingen uit groep 7 en 8 op 14 basisscholen mee. Wij hebben onder alle leerlingen (N=380) zowel voor als na afloop van het programma een vragenlijst afgenomen. Daarnaast hebben we hun docenten geïnterviewd en geobserveerd bij een aantal lessen. Daardoor geeft het onderzoek niet alleen een goed beeld van de effecten, maar ook van de noodzaak van dergelijke programma’s. In dit artikel schetsen we de opzet en doelgroep van het programma, geven we inzicht in de noodzaak en de opbrengsten ervan en doen we tot slot aanbevelingen om het effect van dit type projecten te verbeteren.

Gelijk=Gelijk?
Gelijk=Gelijk? bestaat uit zeven bijeenkomsten die worden begeleid door islamitische, joodse en homoseksuele peereducators en vindt plaats in zogenaamde ‘scholenduo’s’ (bestaand uit twee scholen waarvan de leerlingsamenstelling verschilt). Gelijk=Gelijk? is in opdracht van Stadsdeel Zeeburg in Amsterdam ontwikkeld door projectorganisatie Diversion. Het stadsdeel heeft de wens om discriminatie zo vroeg mogelijk stadium te voorkomen en wil daarom om een lesprogramma voor jonge kinderen (leeftijd 10-12 jaar). Specifieke doelstellingen zijn het vergroten kennis van relevante begrippen, vooroordelen over elkaars leefwijzen en achtergronden wegnemen, het verbeteren van bekendheid voor meldcentra voor discriminatie en tot slot het stimuleren van duurzame ontmoeting tussen kinderen met verschillende etnische achtergronden.

Het lesprogramma start met drie bijeenkomsten waarin de leerlingen via een combinatie van verhaal, spel en theorie kennismaken met begrippen als discriminatie, vooroordelen en stereotypen. In de daarop volgende bijeenkomst verzorgen het COC, de politie, Meldpunt Discriminatie of andere relevante organisaties een gastles. Aan de gastlessen zijn vervolgens excursies gekoppeld. Het laatste onderdeel van Gelijk=Gelijk? bestaat uit twee bijeenkomsten, waarbij leerlingen in groepjes een plan maken om in het stadsdeel discriminatie tegen te gaan. Het programma sluit af met een eindmanifestatie waarbij leerlingen hun plannen presenteren.

Vier van de veertien deelnemende scholen kunnen worden bestempeld als ‘kansarm’. Dat wil zeggen dat circa een derde tot de helft van de ouders van de leerlingen van deze scholen, maximaal alleen basisonderwijs heeft genoten (Jeugdmonitor Zeeburg 2009: 41). De overige tien scholen kunnen worden gekwalificeerd als ‘kansrijk’. De etnische samenstelling van de klassen die deelnamen aan Gelijk=Gelijk? loopt uiteen, van homogeen (volledig autochtoon of volledig allochtoon) tot zeer divers samengesteld. Circa een derde (33,8%) van de leerlingen heeft een Nederlandse achtergrond, bijna een kwart (23,7%) van de leerlingen heeft een Marokkaanse achtergrond, 12,8% een Surinaamse of Antilliaanse, 10,1% een Turkse en 19,6% heeft tot slot een andere etnische achtergrond.

Discriminatie en uitschelden
We hebben de leerlingen bij de nulmeting gevraagd of ze zelf wel eens discriminatie hebben ervaren. Hoewel dat bij de meeste leerlingen (64,4%) niet zo is, is er toch een groot percentage leerlingen dat aangeeft eens of meerdere keren discriminatie te hebben ervaren: 35,6%. Allochtone leerlingen ervaren vier keer zo veel discriminatie als hun autochtone medeleerlingen. Na afloop van het project geeft 54,0% van de leerlingen aan ‘minder vooroordelen’ te hebben.

Iemand uitschelden op basis van diens cultuur of geloof wordt door leerlingen in de nulmeting meer afgekeurd (86,2%) dan iemand uitschelden voor homo (67,9%). We signaleren een verband tussen de culturele en religieuze achtergronden van kinderen en het uitschelden voor homo. Kinderen met een andere etnische achtergrond en/of een religieuze achtergrond (zowel islamitisch als christelijk) vinden het uitschelden voor homo minder erg dan hun autochtone niet-religieuze medeleerlingen. Het percentage leerlingen dat het schelden met ‘homo’ afkeurt is na afloop van het project gestegen van 67,9% naar 75,6%. Na afloop blijkt dat de meerderheid van de leerlingen discriminatie afkeurt en zich bewust is van de negatieve gevolgen ervan. Daarentegen toont een kleine groep (10,6%) zich nog steeds onverschillig op dit punt. Deze leerlingen antwoorden ‘het maakt me niet uit’ of ‘ik vind het leuk’ op de vraag hoe zij denken over het discrimineren van een ander vanwege diens geloof of cultuur. Een groter percentage van de leerlingen (17,2%) geeft dit antwoord ook op de vraag hoe zij denken over het discrimineren van homoseksuelen.

De meest positieve opbrengst is de ‘opening tot gesprek met homoseksuelen’ die gecreëerd is door de ontmoeting tussen de leerlingen en de homoseksuele peereducators. Vooral de leerlingen die - vanwege religieuze of culturele achtergrond - thuis niet over homoseksualiteit kunnen spreken, blijken tijdens de lessen behoefte te hebben aan het stellen van vragen: ‘wanneer ontdekte je dat je homo was? Hoe was het om aan je ouders te vertellen? Vind je het niet erg om homo te zijn?’. Hoewel er bij de eerste vragen soms nog een lacherige sfeer hangt en er bij sommige leerlingen vooraf sprake is van animositeit richting homo’s, helpen de open gesprekken duidelijk om de spanning en vooroordelen te verminderen. De gesprekken met peereducators vinden de docenten daarom het sterkste onderdeel van Gelijk=Gelijk?.

Ondanks deze positieve opbrengst maakt de evaluatie ook duidelijk dat met name voor de acceptatie van homoseksualiteit, nog veel werk verzet moet worden. Dat blijkt bijvoorbeeld als we de vraag voorleggen of het leerlingen uitmaakt of een docent hetero of homoseksueel is. Ofschoon de meerderheid van de leerlingen (77,3%) na afloop van Gelijk=Gelijk? aangeeft dat de seksuele geaardheid van de docent hen niet uitmaakt, geeft toch nog bijna een kwart van de leerlingen (22,7%) aan de voorkeur te hebben ‘voor een juf of meester die geen homo is’. Homoseksualiteit ligt het moeilijkst bij de groepen leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, van wie respectievelijk 41,5% en 47,5% na afloop van het programma liever geen homoseksuele docent wil.

Zorgen over omgangsvormen
De meerderheid van de leerlingen (59,9%) is voor aanvang van het project tevreden over de omgang tussen klasgenoten. Opvallend is echter wel dat de antwoorden per klas/school enorm uiteenlopen; van 95,5% tot 13,0% leerlingen in een klas die tevreden zijn over de omgang tussen de eigen klasgenoten. De docenten van vier scholen (gemengd en kansarm) melden zorgen te hebben over de omgang(svormen) in de klas. Volgens de betreffende docenten hebben hun leerlingen snel en veel ruzie met elkaar, is de drempel om elkaar uit te schelden laag en er is sprake van (groepjes) leerlingen die discrimineren vanwege huidskleur en etniciteit. Opvallend is dat docenten unaniem aangeven dat de leerlingsamenstelling hier mede bepalend is; in de betreffende klassen is het percentage kinderen uit kansarme- of probleemgezinnen in verhouding hoog en is sprake van dominant gedrag van leerlingen uit één of twee culturele groepen jegens de andere leerlingen in de klas. Iets meer dan een kwart (26,1%) van de leerlingen beoordeelt de omgang tussen klasgenoten sinds deelname aan Gelijk=Gelijk? als ‘verbeterd’, de overige leerlingen zien ‘geen verschil’.

De interculturele contacten tussen leerlingen blijken in de praktijk vrijwel nihil te zijn. Enerzijds hangt dat samen met segregatie binnen het schoolsysteem, maar ook daarbuiten. De leerlingen van kansrijke en kansarme scholen wonen weliswaar in hetzelfde stadsdeel, maar ontmoeten elkaar – vooral door verschillen in vrijetijdsbesteding – buiten schooltijd zelden. Duurzame ontmoeting tussen kinderen met een verschillende etnische achtergrond, één van de oorspronkelijke doelstellingen, is niet gehaald. De opzet van Gelijk=Gelijk? voorziet namelijk niet in het creëren van een échte kennismaking tussen de kinderen. De eerste reden is een pragmatische: de meeste gekoppelde scholen staan niet bij elkaar in de buurt, zodat leerlingen elkaar na Gelijk=Gelijk? letterlijk niet meer tegen komen. Verder bevat het lesprogramma te weinig uitdagingen om onderling meer over elkaar te weten te willen komen. De samenwerking is niet gericht op elkaar, maar veelal op de peereducators of op de opdrachten die leerlingen samen moeten uitvoeren.

Voor Gelijk=Gelijk? is de meerderheid van alle leerlingen (94,2%) het eens met de stelling: ‘ik speel met iedereen, het maakt niet uit welke cultuur ze hebben’. Daarbij zien we echter wel verschil per etnische achtergrond. Turkse (13,5%), Marokkaanse (8,0%) en overige allochtone leerlingen (6,9%) geven vaker de voorkeur aan spelen met iemand van de eigen cultuur, dan hun Nederlandse (3,2%) en Surinaams/Antilliaanse (0%) medeleerlingen. Bij de nameting zien we vooral bij eerstgenoemde groepen een positief effect. Nu geeft respectievelijk nog maar 7,1% van de Turkse, 3,6% van de Marokkaanse en 2,9% van de overige allochtone leerlingen aan, liever met iemand van de eigen cultuur te spelen.

Hoe beter?
Een aantal resultaten van Gelijk=Gelijk? stemt hoopvol, maar het mag duidelijk zijn dat het lesprogramma nog verder ontwikkeld moet worden om op alle doelstellingen optimale resultaten te behalen. Hieronder staan een aantal aanbevelingen die wij zowel voor de projectontwikkelaars, beleidsmakers relevant achten.

Het aanbieden van een antidiscriminatieprogramma op scholen is een kwestie van maatwerk. De mate van tolerantie, discriminatie, omgang met elkaar, blijkt per school te verschillen en sterk samen te hangen met de leerlingsamenstelling en -achtergrond op iedere school. Belangrijk is daarom dat men zich van te voren verdiept in de context en vraagstukken van iedere specifieke school. Vooral de samenstelling van het team peereducators en de koppeling van scholenduo’s moet daarom zo veel mogelijk gebeuren in overleg met de scholen.

Peereducation is effectief als het gaat om openheid creëren, gesprekken voeren en empowerment. Peereducators zijn echter geen docenten. Uit gesprekken met docenten en onze eigen observaties is gebleken dat peereducators moeite mee hadden met kennisoverdracht (wat is discriminatie, wat zijn vooroordelen?). Als het gaat om overdracht van theoretische kennis, werken docenten naar ons oordeel effectiever. Peereducators hebben een gedegen training nodig, zowel op het vlak van (didactische) vaardigheden als op kennis. Zij moeten kennis hebben van actuele ontwikkelingen en feiten waarmee ze de discussie over discriminatie en vooroordelen kunnen voeren.

De huidige opzet en duur van Gelijk=Gelijk? is niet de meest effectieve aanpak om duurzame interetnische contacten tussen basisschoolleerlingen te bevorderen. Kinderen zijn in deze leeftijdsfase na schooltijd weinig mobiel en zijn sterk afhankelijk van de mogelijkheden in de eigen buurt of van de begeleiding van ouders. Mocht men zich voornamelijk op de doelstelling ‘bevorderen van interetnische contacten’ willen richten, dan kan van een actiever – waarbij (intensief) contact met elkaar belangrijker is dan kennisoverdracht – en een langer lopend programma op buurtniveau meer verwacht worden. Het bevorderen van interetnische contacten op buurtniveau werkt bij deze leeftijdscategorie beter, dan op stads(deel)niveau.

Amy-Jane Gielen en Eva Klooster zijn werkzaam bij respectievelijk A.G. Advies en Stichting Voorbeeld die gezamenlijk het onderzoek naar het antidiscriminatieprogramma in Zeeburg verrichtten. Dit artikel is eerder verschenen in het Tijdschrift voor de Sociale Sector en met toestemming van beide auteurs ook op Republiek Allochtonië geplaatst. Het volledige onderzoek is op beide websites te downloaden: www.agadvies.com en www.stichtingvoorbeeld.nl


Meer over amy jane gielen, basisonderwijs, discriminatie, diversion, eva klooster, gelijk is gelijk, gelijk=gelijk, homoseksualiteit, intercutureel, onderzoek, primair onderwijs, tolerantie.

Delen:

Reageer