Allochtone agent heeft te maken met subtiele vormen van uitsluiting

In achtergronden door Sinan Çankaya op 18-10-2011 | 10:11

Het beleid van de politie is er sinds de jaren tachtig op gericht om meer agenten uit etnische minderheidsgroepen aan te trekken en te behouden. Maar veel allochtone agenten verlaten juist de organisatie omdat zij te maken hebben met subtiele mechanismen van uitsluiting. Allochtone agenten komen in een spagaat: zij moeten zich bewijzen als ‘Nederlandse’ agent, maar tegelijkertijd wordt er van hen verlangd dat zij problemen van ‘hun’ eigen groep te lijf gaan. Dat concludeert promovendus Sinan Çankaya, die zelf bij de politie Amsterdam-Amstelland werkte.

Çankaya liep gedurende drie jaren mee met politieagenten, hij woonde vergaderingen bij en hield diepte-interviews. Hij concludeert dat van agenten verlangd wordt dat zij voldoen aan een ideaalbeeld van de ‘goede’ agent, dat bestaat uit normen over neutraliteit, loyaliteit en solidariteit. Die worden verondersteld vanzelfsprekend aanwezig te zijn bij autochtone agenten. Maar voor allochtone agenten pakt het beeld anders uit, vooral in specifieke situaties, waardoor wantrouwen wordt geactiveerd.

Situaties
Dat gebeurt bijvoorbeeld als een allochtone politiemedewerker nieuw is binnen de organisatie of naar een andere afdeling wordt overgeplaatst: hij moet bewijzen dat hij te vertrouwen is. Het loyaliteitsvraagstuk komt sterk naar voren bij ontmoetingen van allochtone politieagenten met collega’s en burgers van ‘hun’ eigen etnische groep.
Wat ook tot spanningen kan leiden, is als allochtone agenten bijvoorbeeld een niet-Nederlandse taal gebruiken tijdens het politiewerk. Zij verrichten daarmee goed politiewerk, het specifieke taalgebruik wordt ook van hen verwacht, maar dit wekt tegelijkertijd wantrouwen bij sommigen.
Allochtone medewerkers verklaren verder dat zij, als zij aan het werk zijn in burger, vaak niet worden behandeld als onderdeel van de politieorganisatie en een negatieve status toebedeeld krijgen. Tenslotte wordt wantrouwen ook vergroot als er zich incidenten in de samenleving voordoen en deze in de media aandacht krijgen, waardoor autochtone politiemedewerkers hun allochtone collega’s ter verantwoording roepen.

Uitsluiting leidt tot uitstroom
Het gevoel van uitsluiting onder allochtone agenten als gevolg van de negatieve betekenissen die aan de handelingen van etnische minderheden worden gegeven, is aanzienlijk. Çankaya verwacht voorlopig niet dat de negatieve werkbeleving van allochtone agenten zal veranderen. De interne en externe omgeving van de politieorganisatie produceren volgens hem deels de negatieve betekenissen die aan deze groepen worden toegekend.

Sinan Çankaya (Nijmegen, 1982) studeerde culturele antropologie aan de Universiteit van Utrecht. Verder studeerde hij cum laude af aan de Universiteit van Bradford in conflict resolution. De laatste vier jaar werkte hij als onderzoeker en adviseur voor de politie Amsterdam-Amstelland.
Çankaya promoveert op 24 oktober.  Titel proefschrift: Buiten veiliger dan binnen. In- en uitsluiting van etnische minderheden binnen de politieorganisatie. Promotoren: prof. dr. R.S. Gowricharn, prof. dr. F. Bovenkerk. Handelseditie: Eburon Academic Publishers. ISBN 978-90-5972-576-8.

Dit bericht is overgenomen van de Universiteit van Tilburg
 

Meer onderzoek in de databank onderzoek integratie


Meer over discriminatie, diversiteit, onderzoek, politie, Sinan Çankaya, uitsluiting.

Delen:

Reageer