Dossier allochtonen en criminaliteit

Zijn sommige groepen allochtonen crimineler dan autochtonen? In hoeverre spelen culturele factoren een rol? Is integratie  de oplossing of zijn het juist de jongeren die te snel integreren die in de criminaliteit belanden?  In deze factsheet cijfers, verklaringen en mogelijke oplossingen.  Deze tekst is door redacteur Ewoud Butter  geschreven. Recente artikelen over dit onderwerp kunt u lezen in de categorie criminaliteit, overlast.

Cijfers

In het Jaarrapport Integratie 2010 werd het zevende hoofdstuk gewijd aan de geregistreerde criminaliteit. Hieronder een korte samenvatting van de cijfers. De weergegeven tabellen zijn ook afkomstig uit het Jaarrapport Integratie.  

Percentage bevolking dat verdacht is van misdrijf

   

  • In 2008 telde Nederland 217 duizend verdachten van een misdrijf. Dit komt neer op 1,5 procent van de bevolking van 12 jaar en ouder. In 2007 was dit nog 1,6 procent van de Nederlandse bevolking.
  • 1,2 % van de autochtonen werd in 2008 verdacht van een misdrijf, 1,5% van de westerse allochtonen en 4,3% van de niet-westerse allochtonen.
  • Antillianen hadden het hoogste verdachtenpercentage (6,6 procent), gevolgd door Marokkanen (5,9 procent) en Surinamers (4,7 procent). ‘Overig niet-westerse allochtonen’ hadden een verdachtenpercentage van 3,1% en Turken 3,6%.
  • Het gaat vooral om mannen. Van de autochtone mannen is 2% verdacht tegen ruim 10 procent van de Antilliaanse mannen en iets minder dan 10 procent van de Marokkaanse mannen.

Percentage van de bevolking dat in de gevangenis heeft gezeten    

  • In 2006 werd de grootste groep gedetineerden gevormd van 18 jaar en ouder door autochtonen (46%); 6% van de gedetineerden is Marokkaans en 6% Surinaams.
  • In 2006 had 0,2% van de autochtonen van 18 jaar en ouder op enig moment in 2006 in de gevangenis gezeten. Dit gold voor 0,9% van de Turken, 1,7% van de Surinamers, 1,9% van de Marokkanen en 3,1% van de Antillianen.
  • Mannen zijn vaker gedetineerd dan vrouwen. Van de Marokkaanse mannen tussen 18 tot 25 jaar was een relatief groot deel in 2006 op enig moment strafrechtelijk gedetineerd (7,5 procent).

Percentage jongeren dat tussen 12 en 20 verdacht was van misdrijf

Crimineel gedrag wordt meestal zichtbaar in de puberteit (12 tot 18 jaar) en bereikt een hoogtepunt tussen de 18 tot 25 jaar. Daarna neemt de kans op crimineel gedrag snel af.    

  • Eén op de tien autochtone jongeren die in 1999 12 waren, werd in de periode 1999-2007 op enig moment verdachte van een misdrijf; hetzelfde gold voor ruim één op de drie Marokkaanse 12-jarigen uit 1999 en bijna één op de drie Antilliaanse en Surinaamse jongeren. Van de Turkse en overige niet-westerse allochtonen was één op de vijf verdacht.
  • Onder alleen jongens liggen de percentages ook hier hoger: zo werd 56% van de Marokkaanse jongens die twaalf jaar waren in 1999 op enig moment in de periode 1997 - 2007 verdacht van een misdrijf, tegenover 16 procent van de Marokkaanse meisjes.
  • Het aandeel autochtone jongeren dat verdacht werd van een misdrijf steeg in de periode ’97-2007 overigens sneller dan het aandeel niet-westerse allochtonen van de tweede generatie. Het aandeel autochtone verdachten steeg in die periode met 50 procent van 0,8 procent naar 1,2 procent. Het aandeel niet-westerse allochtonen steeg met 40% van 4,5 procent tot 6,3 procent.

Verdachten komen meestal uit een huishouden met een laag inkomen: in 2006 behoorde 38% van de autochtone verdachten tot huishoudens met een laag inkomen. Dit gold ook voor de helft van de Turkse en Surinaamse verdachten en ruim 60 procent van de Antilliaanse en Marokkaanse verdachten.        

Recentere cijfers

De cijfers uit het Jaarrapport Integratie 2010 komen uit enigszins gedateerd onderzoek. Recentere cijfers zijn wel beschikbaar van de zogenaamde ‘Marokkanengemeenten’ en ‘Antillianengemeenten’. In 2011 verscheen de landelijke monitor over Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders 2011, opgesteld door researchinstituut Risbo (Erasmusuniversiteit) in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieruit blijkt onder andere dat gemiddeld 38,7 procent van de Marokkaanse mannen tussen 12 en 24 jaar in de Marokkanengemeenten de afgelopen 5 jaar één of meerdere malen bij de politie was beland. In negen Marokkanengemeenten is méér dan 10 procent van de meisjes tussen 12 en 24 jaar in aanraking geweest met de politie.   Uit de cijfers blijkt verder dat Marokkaanse jonge mannen in bijna alle gemeenten vaker verdachte zijn dan hun Antilliaanse leeftijdsgenoten, zelfs in 20 van de 22 Antillianengemeenten. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht ontdekten dat bij de ramingen van het aantal ongeregistreerde Antillianen per abuis de bolletjesslikkers zijn meegeteld die op Schiphol werden aangehouden.           

Oorzaken en verklaringen

Bepaalde groepen niet-westerse allochtonen zijn overduidelijk oververtegenwoordigd in de criminaliteit. Hoe komt dat?  

Onderzoek

Ten onrechte wordt soms de suggestie gewekt dat er pas sinds de eeuwwisseling aandacht zou zijn geweest voor criminaliteit onder allochtonen. Ook in de 20e eeuw is er verschillende keren onderzoek op dit terrein gedaan.  
In de jaren zeventig en tachtig verschenen er al studies naar criminaliteit onder diverse etnische groepen. De criminologen Buikhuisen en Timmerman constateerden dat Zuid-Molukse jongeren meer en andersoortige delicten dan autochtone jongeren pleegden. Dat concludeerden Van Amersfoort en Biervliet ook nadat zij de criminaliteit onder Surinamers en Zuid-Molukkers in 1975 hadden onderzocht.

In 1988 ontstond veel discussie over een rapport van onderzoeker Kees Loef over criminaliteit onder Marokkaanse jongeren in Amsterdam. Een jaar later verscheen een kwantitatief onderzoek van Junger en Zeilstra naar de omvang van criminaliteit onder allochtone jongeren. Zij concludeerden dat allochtonen vaker met de politie in aanraking kwamen dan de vergelijkbare Nederlandse groep jongens. In het NRC Handelsblad van 14 januari 1989 was te lezen: "Drieëndertig procent van alle Marokkaanse jongens heeft geregistreerd politiecontact. Bijna de helft is recidivist en pleegt meer en ernstiger delicten dan jongeren uit andere etnische groepen. Niemand durft op te treden, want iedereen is doodsbenauwd om van discriminatie te worden beschuldigd".  

In de jaren daarna kwamen haalden verschillende onderzoekers de publiciteit naar aanleiding van onderzoek naar criminaliteit onder allochtonen. Cultureel-antropoloog Hans Werdmöller schreef in 1990 over Marokkaanse jongeren, de criminoloog Bovenkerk sprak in 1995 voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (Commissie Van Traa) over de georganiseerde misdaad, Marion van der San (1998) deed onderzoek naar criminaliteit onder Antilliaanse jongeren en Frank van Gemert (1998 ) naar criminaliteit onder Marokkaanse jongeren. In de onderzoeken werden verschillende oorzaken genoemd, variërend van de sociaal-economische positie, discriminatie en de migratiegeschiedenis, integratie- en acculturalisatieproblemen tot afwezige vaders of vergoeilijkende moeders.  

Culturele factoren
In sommige onderzoeken worden de oorzaken in culturele factoren gezocht. Dan wordt bij Marokkanen bijvoorbeeld verwezen naar de Marokkaanse schaamtecultuur en de Berbertraditie om autoriteiten te wantrouwen.

Een voorbeeld van een wetenschapper die veel accent legt op culturele factoren zijn de eerdergenoemde Nederlander Hans Werdmölder en de Belg Juliaan van Acker, emeritus hoogleraar Orthopedagogiek die zich onder andere heeft verdiept in de oorzaken van de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren. Deze kinderen groeien volgens hem vaak op in gezinnen met gedwongen, vaak liefdeloze huwelijken waarin geen respect wordt bijgebracht voor anderen, vooral niet voor vrouwen, en waarin ‘iemand die niet tot de eigen kring behoort’ gezien wordt als de vijand. Ze hebben te maken met een specifieke schaamtecultuur van de Berbers waarin schuld bekennen ondenkbaar is én met groepsdruk. De kinderen hebben volgens Van Acker nooit geleerd om te overleggen, ze weten door hun beperkte woordenschat niet hoe ze dingen moeten uitleggen en kiezen daardoor vooral voor agressie om hun zin te krijgen.

Volgens Van Acker is het -gemiddeld genomen- lage opleidingsniveau van de Marokkaanse moeders een belangrijke oorzaak van de problemen. Ze hebben hierdoor amper contact met de omringende samenleving.  

Anderen hechten minder waarde aan culturele factoren. Zo is er volgens Madeleine de Boer amper sprake van cultuurspecifieke opvattingen over diefstal en geweld. De Boer, die promoveerde op misdaadopvattingen onder allochtone jongeren verklaarde op de website van de Universiteit van Utrecht : ‘In de praktijk blijken migrantenjongeren min of meer dezelfde opvattingen te hebben over diefstal, het gebruik van geweld en straf als Nederlandse jongeren. Dit geldt voor alle vier grote migrantengroepen: Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers. Het criminele gedrag van Marokkaanse of Antilliaanse jongeren is niet te verklaren vanuit afwijkende misdaad- of strafopvattingen van deze groepen als geheel.'  
Enige uitzondering hierop zijn de duidelijk andere opvattingen van Turkse jongeren over eergerelateerd geweld en de bestraffing daarvan. Deze kunnen, volgens De Boer, mede de oververtegenwoordiging verklaren van Turken in Nederland die een straf uitzitten wegens geweldsdelicten binnen de eigen gemeenschap (Bron: Universiteit van Utrecht).  

Ook religie lijkt geen verklarende factor. Zo blijkt uit het rapport Zeg me wie je vrienden zijn (2002) van Driessen FMHM, Völker BGM, Op den Kamp HM, Roest AMC, Moolenaar dat juist de jongeren die zich sterk identificeren met de oorspronkelijke cultuur en die bijvoorbeeld streng islamitisch zijn, maar zelden crimineel zijn.  Volgens de onderzoekers moet de verklaring voor de hoge criminaliteit onder allochtone jongeren veeleer gezocht worden in de tekortkomingen van de sociale netwerken van de jongeren. Veel allochtone jongeren hebben een moeilijke relatie met hun ouders, waardoor zij oppervlakkig deelnemen aan het sociale netwerk dat uit familieleden bestaat. Het milieu van herkomst biedt zo weinig bescherming tegen het risico om af te glijden in een criminele loopbaan (Bron: Politie en wetenschap).  

Ook criminoloog Frank Bovenkerk zoekt de verklaring in de (afwezigheid van) sociale netwerken. Volgens hem kan het gebrek aan sociale controle in de Marokkaanse gemeenschap de hogere cijfers gedeeltelijk verklaren. Bij Antillianen gaat het gemakkelijker mis omdat veel van de jongens die naar Nederland worden gestuurd, al problemen veroorzaakten.

Gebrek aan integratie?
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is volgens Bovenkerk integratie niet de sleutel tot de oplossing. Bovenkerk: „Crimineel gedrag komt vaker voor onder jongeren die goed geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Inburgeringscursussen gaan de problemen niet oplossen. Jongeren willen gelijke kansen. Je hebt je best gedaan om Nederlander te worden maar toch vind je geen werk. Dat kan een enorme woede veroorzaken. Dat kan criminele gedragingen veroorzaken maar ook radicalisering.” Sterker nog: hoe sneller allochtonen assimileren, hoe groter de kans dat ze de criminaliteit ingaan, stelde Bovenkerk tijdens een seminar.  

Volgens Mieke Komen, senior-onderzoeker Criminologie bij de Universiteit Utrecht, lijkt er inderdaad een positieve relatie te bestaan tussen de fase van sociale en culturele integratie waarin een groep zich bevindt en de omvang van de geregistreerde criminaliteit van die groep. “Uit onderzoek blijkt dat Marokkanen zich sneller aan Nederland aanpassen dan andere groepen migranten. Ze zijn, meer dan bijvoorbeeld Turken, gericht op contacten met autochtone Nederlanders."

“Juist doordat de positie van migranten ten opzichte van andere Nederlanders de afgelopen jaren is versterkt, raakt de achterhoede in het nauw gedreven”, legt Komen uit. Deze achterblijvers bestaan uit jongeren afkomstig uit slechte sociaal-economische omstandigheden. Ze zijn vaak behept met een gering probleemoplossend vermogen, bijvoorbeeld door weinig scholing, slecht of nauwelijks onderwijs of een laag IQ. “Hun verwachtingen zijn gestegen, maar ze zijn niet in staat deze te verwezenlijken. Voor hen lijken verzet, vermogenscriminaliteit en zelfs geweld de enige manier om te reageren op hun weinig florissante situatie."  

Een laag IQ, schizofrenie, de schaamte waarmee hiermee in sommige allochtone gezinnen wordt omgegaan en het gebrek aan interculturele vaardigheden bij hulpverleners worden ook als een oorzaak genoemd.

Volgens onderzoeker Martijn de Koning die onderzoek doet naar Marokkaanse jongeren, past dit bij de tendens dat de jongeren zich "een repertoire hebben eigen gemaakt dat passend is bij de culturele veranderingen die zich in Nederland hebben voltrokken: toenemende nadruk op materieel gewin, nadruk op zelfverwezenlijking, assertiviteit en onafhankelijkheid. “Een repertoire dat zij zich eigen hebben gemaakt en geordend op basis van hun beeldvorming over de Nederlandse samenleving en daarbij een onderstroom hebben opgepikt die vooral de negatieve kanten van die culturele verandering laat zien: nadruk op snel financieel succes, het zich toe-eigenen van respect als claim voor een eigen ruimte (bemoei je niet met mij), brutaliteit en autonomie."  

Straatcultuur

Wanneer jongeren niet beschikken over sociale netwerken, blijft er niet veel anders over dan de vrij losse contacten op straat met jongens in een vergelijkbare positie. Op straat komen de jongeren gemakkelijk in contact met wat oudere jongens die al crimineel actief zijn of met regelrechte criminele elementen. Bij gebrek aan 'normale' sociale contacten, met behulp waarvan ze een 'normale' loopbaan zouden kunnen opbouwen, rollen ze zo min of meer vanzelf de criminaliteit in (Bron: Politie en wetenschap).                    

De laatste jaren wordt door onderzoekers daarom steeds meer nadruk gelegd op onderzoek naar de straatcultuur. Frank Bovenkerk: “Er wordt te veel gekeken naar traditionele cultuur. Politieagenten naar het Rifgebergte, dat soort werk. Maar dat heeft geen zin. Jongeren ontwikkelen een eigen cultuur, een mengsel van alles wat ze op straat tegenkomen. Dáár moet de politie en de hulpverlening zich meer op richten”.  

Cultuur geen dominante factor

Criminoloog Jan Dirk de Jong (31) promoveerde in 2007 op een onderzoek naar ‘opvallend delinquent groepsgedrag onder “Marokkaanse” jongens’(‘Kapot moeilijk’ heet zijn boek). Ook volgens De Jong is niet de cultuur de dominante factor bij het ontstaan van delinquent gedrag van ‘Marokkaanse’ straatjongens, maar een stelsel van groepsprocessen die horen bij hun straatcultuur. Veel van wat inmiddels ‘typisch Marokkaans’ is gaan heten, vond De Jong ook bij straatculturen elders in de wereld. Het tekortschieten van de ouders, halsstarrige ontkenning: in de Verenigde Staten zag hij het bij ontspoorde Koreaanse jeugdgroepen en collega-onderzoekers meldden het bij Pakistaanse straatjongens in Oslo en als onderdeel van de straatcultuur van Chileense migrantenkinderen in Barcelona.  

In zijn boek omschrijft De Jong een groepsgedrag, dat dient om collectieve behoeften te bevredigen als erkenning, vermaak en veiligheid. Chillen is het belangrijkste, maar de macho-waarden van de straatcultuur, waarin hardheid en opkomen voor jezelf, desnoods met geweld, centraal staan, kunnen gemakkelijk leiden tot conflicten met buitenstaanders. Wie over zich laat lopen, toont zwakte en verliest de veiligheid van de groep. Hij wordt het mikpunt van spot, roddels, diefstal en krijgt niet zelden een pak slaag van iemand die daarmee zijn eigen groepsstatus wil verhogen. De jongens zien hun ‘kut-Marokkanen’-stigma als onontkoombaar, dus ontwikkelden ze een geuzenidentiteit van hardheid en onaangepastheid. Met overlast gevend en crimineel gedrag versterken ze het gevoel van: wij tegen de rest.  

Oplossingen

Harde aanpak?

De laatste jaren wordt steeds vaker gepleit voor een harde aanpak. Helpt dat ook? Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau niet. Het SCP concludeert in het rapport 'Sociale veiligheid ontsleuteld; Veronderstelde en werkelijke effecten van veiligheidsbeleid' (2008):   "Delinquente jongeren die een programma doorlopen zonder te worden opgesloten (ambulant), recidiveren na afloop minder dan jongeren die een programma achter gesloten deuren doorlopen (residentieel). De meest effectieve resocialisatieprogramma’s zijn de programma’s die de verschillende leefdomeinen van jongeren, zoals het gezin, de school en de straat, weten te integreren. Binnen al deze domeinen blijken cognitief-gedragstherapeutische behandelingen en sociale vaardigheidstrainingen het meest effectief.

Residentiële programma’s die jongeren via disciplinering en groepsdruk moeten heropvoeden, zoals heropvoedingskampen of -internaten, verhogen juist de kans dat jongeren opnieuw de fout ingaan bij terugkeer in de samenleving."  

Volgens criminoloog Jan Dirk De Jong moeten de jongens die zijn ontspoord wel harder worden aangepakt. De Jong in De Groene Amsterdammer: "Zij stoppen echt niet met hun criminele acties omdat een hulpverlener dat vraagt. Ze worden te zacht aangepakt, en dus is het telkens weer een negatief verhaal. (...) Je moet ze in de smiezen houden, snel ingrijpen, snel berechten en écht straffen. Dus niet met een lullig taakstrafje. Het moet duidelijk zijn voor de andere jongens: misdaad loont niet.”  

Tegelijkertijd moet volgens hem worden voorkomen dat de jongeren terechtkomen in een straatcultuur. De Jong: "Die jongens moeten omarmd worden in een gezonde psycho-sociale omgeving. Ze moeten leren dat het meer oplevert als ze mijn en dijn scheiden, hun behoeftebevrediging uitstellen en beheerst optreden. Maar daarvoor moeten ze uit het sociale isolement worden gehaald. Dat betekent meer jongerenwerk en dat ligt momenteel politiek niet lekker. Enkel hard straffen heeft geen zin. Je kunt er vergif op innemen dat je daarmee juist allerlei vormen van delinquent gedrag in stand houdt. Je lokt er gewelddadige reacties mee uit van jongens die daar in eerste instantie niet aan mee zouden doen."  

Het SCP sluit het hoofdstuk over criminaliteit in het Jaarrapport Integratie af met een citaat van de onderzoekers Van der Leun, Kromhout, Easton en Weerman, die in het Tijdschrift voor Criminologie in 2010 concludeerden: “Ondanks al het onderzoek is er toch nog betrekkelijk weinig duidelijk over de precieze oorzaken van de geconstateerde oververtegenwoordiging van allochtonen of immigranten in de criminaliteitscijfers.”  

Beleid

Het onderzoek dat in de loop der jaren is verricht gaf aanleiding tot tal van projecten om criminaliteit onder specifieke groepen tegen te gaan. Projecten richten zich op de ouders, op hulpverleners, leeftijdsgenoten en uiteraard op de jongeren zelf. Er werd geëxperimenteerd met mentoren, buurtvaders, internaten, 8 tot 8 coaches, peergroepen, praatgroepen etc. De eerste projecten werden eind jaren ’80 opgezet, o.a. in Gouda en Amsterdam, opgezet om de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren tegen te gaan, later volgden onder andere het CRIEM-project en het beleid van de laatste jaren dat specifiek gericht was op gemeenten met de twee grootste probleemgroepen; Marokkanen en Antillianen. ‘Marokkanengemeenten en Antillianengemeenten’

Minister Donner stuurde eind oktober 2011 de rapportages Marokkaanse Nederlanders 2011 en Antilliaanse Nederlanders 2011 naar de Kamer. Hierin worden de resultaten in gemeenten waar specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren wordt gevoerd, vergeleken met cijfers van een jaar geleden toen voor het eerst een meting werd verricht.   Uit de rapportages blijkt dat het nog niet gelukt is het aantal schoolverlaters en werklozen onder jongeren van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst te verminderen. Het aantal voortijdig schoolverlaters in deze groep is zelfs licht gestegen, evenals het aantal werklozen. Op het meest gevoelige terrein, de bestrijding van criminaliteit en overlast, is volgens de gemeenten echter wel sprake van enige verbetering.  

Het ministerie benadrukt in een begeleidende brief dat het niet reëel is na een jaar beleid al veel concrete verbetering te verwachten. Zichtbare vooruitgang op basis van de cijfers was in deze rapportages over het eerste jaar nog niet te verwachten, schrijft het ministerie in een toelichting. "Veel maatregelen zijn in 2010 ingevoerd en kunnen nog nauwelijks in de resultaten tot uitdrukking komen."  

Hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’

De teleurstellende resultaten van de Marokkanen- en Antillianengemeenten op het terrein van arbeidsmarkt en schooluitval kunnen worden verklaard omdat de gemeenten over het algemeen meer hebben geïnvesteerd in het tegengaan van ‘overlast’ en ‘criminaliteit’ dan in ‘school’ en ‘werk’. Dat concludeert het gemeentelijk samenwerkingsverband Marokkaans-Nederlandse risicojongeren na een inventarisatie van de inspanningen en resultaten in de betrokken gemeenten. De resultaten van deze inventarisatie zijn gepresenteerd in het rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?'.                                  

Bij de thema’s ‘voortijdig schoolverlaten’ en ‘werk’ wordt volgens dit rapport niet veel aandacht besteed aan een specifieke aanpak voor de Marokkaans-Nederlandse doelgroep; gemeenten verwijzen op die thema's vaak naar de reguliere activiteiten van bijvoorbeeld sociale diensten of jongerenloketten.   Op grond van de inventarisatie in de betrokken gemeenten, concludeert het rapport dat gemeenten beseffen dat het voor een effectieve aanpak nodig is te beginnen met het doorbreken van de anonimiteit van de risicojongeren. Daarom zetten zij, liefst permanent maar in ieder geval tijdens de kritieke uren van de week, functionarissen in die zich ophouden waar ook de jongeren zich bevinden. Het zijn de ‘extra ogen en oren’ op straat. Gemeenten signaleren hierdoor sneller waar het met een jongere of groepen jongeren fout kan gaan.  

Voor het benaderen van (jongeren binnen) groepen, ontwikkelen veel gemeenten een specifieke ‘groepsaanpak’. Voorwaarde voor een doeltreffende aanpak is dat, naast alerte signaleerders in de wijk, voldoende en professionele achtervang van alle relevante partners in de aanpak beschikbaar is. Meestal zijn deze partners georganiseerd in een casusoverleg waar specifieke gevallen besproken worden.  

Prestatie- en resultaatafspraken Het gemeentelijk samenwerkingsverband Marokkaans-Nederlandse risicojongeren formuleert in het rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?' ook kritiek op de ‘Marokkanen- en Antillianengemeenten’: “Gemeenten formuleren de doelen voor de aanpak van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren vaak in abstracte termen (bevorderen, versterken, tegengaan, verhogen, etc.). In enkele gevallen worden ambities in concrete percentages genoemd. Gemeenten maken prestatieafspraken met uitvoeringsorganisaties voor wat betreft verwachte inspanningen, maar slechts incidenteel geven gemeenten aan ook te verlangen dat de interventies een bepaald (maatschappelijk of individueel) en meetbaar effect moeten behalen.”   Of het beleid op korte termijn tot resultaten zal leiden is volgens de schrijvers van het rapport moeilijk te zeggen. “Het gaat om jongeren (en omgeving) met complexe problemen. Bovendien is het realiseren van een trendbreuk niet alleen afhankelijk van op de doelgroep gerichte interventies maar ook van de invloeden van andere zaken als algemene, maatschappelijke ontwikkelingen die los van deze doelgroep staan maar deze soms wel extra hard raken. Gemeenten hebben daar weinig invloed op, evenals op de inzet van de concrete, individuele professional wiens persoon in belangrijke mate bepalend is voor het al dan niet vinden van de juiste aansluiting bij de jongeren en gezinnen. Dit laat onverlet dat het aannemelijk is dat de gezamenlijke inspanningen positieve effecten zullen hebben.”                              

Bezuinigingen

Alle 22 gemeenten willen die kennis en ervaring, op enigerlei wijze, implementeren in hun reguliere aanpak. De verwachting is echter dat vanwege de grote bezuinigingen bij het Rijk en de gemeenten, de toekomstige middelen niet zullen volstaan om alle nieuwe ontwikkelingen in het reguliere beleid te kunnen opnemen. Daarover maken sommige gemeenten zich volgens het rapport ( ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?') zorgen. De angst bestaat dat waardevol gebleken, maar te kostbare interventies zullen verdwijnen. De betrokken gemeenten ontvangen tot eind 2012 geld voor de extra aanpak. Daarna stopt de subsidie.

Vanaf 2012 wordt het beleid voor speciale doelgroepen afgeschaft, zoals vastgelegd in de Integratiebrief. De aanpak en de daarop gebaseerde maatregelen moeten daarom vanaf 2012 voor iedereen gaan gelden. "Afkomst speelt daarbij geen rol", schrijft Donner.   Wanneer het specifieke beleid verdwijnt en er ook geen resultaatafspraken worden gemaakt, zal het waarschijnlijk gissen blijven of het specifieke projecten voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol zijn geweest of niet.

Bron: deze tekst is door redacteur Ewoud Butter geschreven. Opmerkingen of aanvullingen? Mail info [at] ewoudbutter.nl

Links:

Veel meer artikelen in de categorie criminaliteit, overlast

Aanmelden nieuwsbrief

Een kleine 1800 personen en instellingen zijn geabonneerd op de tweewekelijkse nieuwsbrief van de Republiek Allochtonië. Wilt u ook een abonnement op de nieuwsbrief? Vul dan hieronder uw emailadres in.

Aanmelden voor de nieuwsbrief van Republiek Allochtonië

Of neem een abonnement op de dagelijkse nieuwsbrief.

Zoeken op trefwoord

Over republiek Allochtonië

Achtergronddossiers

Meest gelezen blogs

Banners

  • Doneren
  • Ewoud Butter

Laatste reacties

Archief


Republiek Allochtonië