Hangplek Holland

In opinie door Eva Klooster op 06-04-2014 | 21:39

De discussie over jeugdoverlast, jeugdcriminaliteit en problemen van Marokkaanse jeugd laait keer op keer op. Ook nu weer. Hoewel de aanleiding verschilt, verloopt de discussie meestal volgens vaste patronen en reeds lang geleden ingenomen stellingen.

Af en toe kiest iemand voor een andere insteek. Zoals auteur Eva Klooster met haar boek Hangplek Holland. Als eerste bekeek ze deze vraagstukken vanuit verschillende groepen mensen die er dagelijks mee te maken hebben: de jongeren, hun ouders, buurtbewoners en professionals.

Eén van de jongens die zij jarenlang volgde is veelpleger Othman. Via zijn persoonlijke verhaal laat Eva Klooster zien waar beleid, begeleiding en opvoeding te kort schieten en waarom de hulp in de buurt hoopgevend is.

Hangplek Holland is een aanrader voor iedereen die meer wil begrijpen van jeugd(criminaliteit), maar niet zit te wachten op de zoveelste mening. Exclusief op Republiek Allochtonië de eerste paragrafen van het boek.

Vooraf

De eerste keer dat ik aanbelde bij een gezin in Amsterdam-Oost is al lang geleden. Het was in de winter van 1996. Voor een onderzoek van de Erasmus Universiteit moest ik interviews bij mensen thuis afnemen. Ik herinner mij de extreme kou van die winter en mijn eigen ongemak met de situatie. Ik had nog nooit mensen geïnterviewd in hun eigen huis. Mijn ongemak werd versterkt doordat ik, eenmaal over de drempel bij de gezinnen, weinig tot niets bleek te herkennen. De inrichting, de omgangsvormen, de manier van communiceren, aan alles moest ik wennen, maar ik vond het direct bijzonder om in korte tijd een diepgaand contact met mensen op te bouwen die ik anders waarschijnlijk nooit zou hebben gesproken. Deze interviews werden het begin van mijn onderzoekswerk en ook Amsterdam-Oost heb ik sindsdien niet meer losgelaten. Ik kwam er vaak terug in verband met onderzoeken en nog vaker omdat ik van de buurt ben gaan houden.

In 2007 werkte ik tijdelijk als ambtenaar in Amsterdam-Oost. Ik was gevraagd om de aanpak van de jeugdoverlast te coördineren en moest zorgen dat organisaties die zich bezighielden met de jongeren effectief zouden samenwerken. Het was een bijzondere periode, waarin ik veel leerde over de afstand tussen goedbedoelde plannen en de praktijk. Toen mijn contract afliep, was ik voor mijn gevoel nog lang niet klaar. Aan de oorzaak van de overlast, de problemen van de jongens, was niets wezenlijks veranderd. De levens van de jongens leken te stagneren, de aansluiting met de opvang en de zorg ontbrak. De gesprekken die ik hierover voerde met jongeren, ouders, buurtbewoners en professionals spookten nog lange tijd door mijn hoofd. Regelmatig vroeg ik mij af hoe het met hen zou zijn, of er hulp was gekomen voor de jongeren en of de overlast uiteindelijk zou zijn verminderd?

Begin 2011 besloot ik op zoek te gaan naar de mensen die zo veel indruk op mij hadden gemaakt. Dit keer had ik geen opdrachtgever, slechts een opdracht aan mijzelf. Ik wilde meer begrijpen van de situatie, die destijds zo uitzichtloos leek, in de hoop zicht te krijgen op oplossingen. Ik sprak met jongeren, bezocht ouders, schoof aan bij jongerenwerkers, docenten en andere begeleiders, en liep mee met de politie. Het werd een zoektocht die uiteindelijk bijna twee jaar duurde. Uit al de bijzondere verhalen en gebeurtenissen die ik optekende heb ik er een aantal geselecteerd voor dit boek. Het werden de verhalen van docent en kickbokser Youssef, van buurtregisseur Rob, van orthodox-islamitische jongerenwerker Radi en van Othman, een van de jongens die dagelijks in de buurt rondhingen.

Othman behoort tot de jongeren die niet alleen op straat hangen voor de ‘fun’, maar omdat zij weinig andere mogelijkheden kennen of zien voor zichzelf. In het onderwijs zijn ze gestrand, op werkgebied hebben ze weinig succes en ze blijven, ondanks hun problemen, het liefst ver weg van hulpverlening. In de buurten waar ze hangen, zijn de bewoners hen meer dan zat. Helaas geldt dat ook voor een deel van de ouders en de professionals die met deze jongeren werken. Uiteindelijk raakt het merendeel van deze jongens in meer of mindere mate betrokken bij criminaliteit. Ook de jongens die ik volgde in Amsterdam-Oost, en ik ben ervan overtuigd dat hun situatie niet zo veel verschilt van die van jongeren in andere steden.

Hoewel de criminaliteit voor een deel van de jongens loont, kwam ik meer jongens tegen voor wie het leven op straat weinig meer bracht dan de kortstondige erkenning van de groep en een langdurige relatie met politie en justitie. Voor Othman was dat niet anders. Hij was een meeloper die als jonge puber al alle hangjongeren uit de buurt kende. Othman liet zich makkelijk meeslepen met de verkeerde dingen, bouwde een strafblad op, ondertussen intens verlangend naar een ander leven. Hij verlangde, in de woorden van Othman zelf, naar ‘een beter leven, waarin ik net als andere mensen een goede reden heb om op te staan’.

Ik ben Othman en alle anderen die de afgelopen jaren met mij hebben gepraat dankbaar voor het vertrouwen dat ik heb gekregen. Alles wat in het boek staat heb ik meegemaakt of is mij door de betreffende personen verteld. Niets is verzonnen, wel zijn sommige namen en beschrijvingen aangepast, in het belang van de privacy van de betrokkenen.

Proloog

‘Wilt u een mooi moment horen? Dan begin ik bij 6 april 2009. Dat is de dag waarop ik vrijkwam uit het Huis van Bewaring in de Havenstraat. De dagen ervoor was ik de hele tijd in spanning. Ik kon er niet van slapen. De einddatum stond vast en buiten was het al heerlijk weer. Dan heb je er echt moeite mee dat je binnen zit. Ik zat er al acht maanden en je houdt het niet meer uit, je wil weg! De weken voordat ik vrijkwam had ik al alleen maar lopen lachen. Ik was zo blij, ik kon niet ophouden met lachen. En wat helemaal leuk was: ze lieten me één dag eerder gaan. Dus mijn ouders wisten niet eens dat ik op 6 april al vrij was, die dachten dat ik 7 april thuis zou komen. Ik heb meteen mijn vrienden gebeld en die kwamen mij halen. Het was ongeveer elf uur in de ochtend toen ik bij mijn ouders voor de deur stond. Mijn ouders en mijn jongste broertje waren thuis. De twee broers onder mij waren op school en mijn oudere broer en zussen waren aan het werk. Mijn moeder omhelsde mij en moest erg huilen, ja… [stilte] Alleen mijn jongste broertje moest aan mij wennen. Hij was in het begin een beetje bang voor me. Daar kreeg ik ook een beetje pijn van. Daarom zeg ik tegen mijn jongere broers: zorg dat je naar school gaat en werkt, zonder dat is het leven niets. Geloof me!

Drie dagen later werd het nog beter, toen was ik jarig. Er was een grote taart met mijn foto erop en er stond “Welkom thuis” op geschreven. Iedereen van de familie om de tafel met de taart. Mijn moeder was zo blij. Dat is nu een van de beste momenten van mijn leven die ik mij kan herinneren. Ik had zo verlangd naar buiten, naar een gewoon leven, ik wilde een gewoon leven met werk. Dat is ook een van de dingen waar mijn moeder mij aan herinnert als ik iets slechts heb gedaan. Dan zegt ze: “Weet je nog wat je tegen mij hebt gezegd toen je vastzat?” Dat is wat ik u steeds probeer uit te leggen. Als je vastzit, denk je aan alle pijn die je mensen hebt gedaan. Binnen denk je aan alles en je wil echt een ander leven als je buitenkomt. Maar als je weer buitenstaat, waait de wind zo alle goede voornemens uit je hoofd weg. Dit keer wil ik dat het me niet meer overkomt. Ik wil een opleiding doen of werken, misschien word ik wel loodgieter.’

Othman, februari 2012
 

Deel : 12007

Overlast

Zes april 2007. De vergaderruimte is nog steeds leeg. Hoe kan dat? Ben ik te vroeg of heb ik de uitnodiging niet goed verstuurd? Kamer 301, dat zeiden ze toch bij de receptie? Ik loop nog eens de lange gang in, met aan weerszijden de identieke deuren. Zonder nummers op de deuren zou je in dit kantoor hopeloos verdwalen. Ja echt, kamer 301, het klopt. Ik vertrouw er maar op en ga zitten aan de witte ovale vergadertafel.

Door de grote ramen van het stadsdeelkantoor valt een plens schel licht naar binnen, die het witte tafelblad nog eens extra doet oplichten. Met half dichtgeknepen ogen tuur ik naar de flats aan de overkant van het stadsdeelkantoor. Drie verdiepingen in witgrijs steen, met balkonnetjes van staal. Daarachter gebeurt het. Daar is het ‘trappetje’ met zijn dertig grijze treden die leiden naar een tussenverdieping van een betonnen flat. Daar is het trapje met een fijn afdakje, dat genoeg zitplaats biedt aan ten minste twaalf jongens die buitenshuis willen chillen. Dagelijks zijn er conflicten bij het trapje, tussen de bewoners van de flat en de jongens die er hangen.

De jongens zorgen voor overlast, zeggen de buren. De buren stellen zich aan, zeggen de jongeren. Op het stadsdeel werkt een coördinator die verantwoordelijk is voor de plannen om de overlast van groepen jongeren tegen te gaan. Die coördinator, dat ben ik, tijdelijk, en vandaag heb ik mijn eerste vergadering.

Op tafel staan aluminium kannen met koffie en thee klaar. Daarnaast de altijd witte rechte kopjes, het zo kenmerkende servies van de Nederlandse overheid. Zou er ooit iemand zijn geweest die heeft gezegd: we nemen witte smalle kopjes met een degelijke Hollandse doe-maar-gewoon-uitstraling en kleurtjes zijn taboe. Ook lekkere grote glazen komen er niet in! Bij de overheid drink je uit witte kopjes die je dwingen tot zuinige slokken met het hoofd rechtop. Doe je dat niet dan volgt er straf. Want bij een te gulzige slok raakt je neus onvermijdelijk de rand van het net te nauwe kopje, als ware het een lichte tik van de overheid. Op de zijkant van het kopje prijkt de naam van het stadsdeel. We bevinden ons in het oostelijk deel van de stad Amsterdam, dat u het weet.

In het oude deel van Oost, in de voormalige arbeiderswijk de Indische Buurt, lopen jongens en jongemannen rond die overlast veroorzaken. Ze zijn luidruchtig en ruimen hun rotzooi niet op. Waar ze komen, laten ze een spoor achter van lege blikjes, chipszakjes en patatbakjes. Hun stemmen en scooters echoën over de vierkante pleinen. Ze hangen in wisselende groepjes rond in portieken, bij belwinkels, op bankjes en in trapportalen, overal waar ze niet te veel op hun vingers worden gekeken. Een jointje roken doe je toch het liefst buiten het zicht van anderen. Bovendien hoeft niet iedereen mee te luisteren. Zeker niet een van de ouders. Of een of andere tante of vriendin van een moeder.

Daarom treffen de jongens elkaar op een beschutte plek, niet te dicht bij huis en ook nooit te ver weg, want niet alle jongens hebben een scooter. Een deel van de jongens van de Indische Buurt wijkt daarom uit naar de aangrenzende Borneobuurt in het Oostelijk Havengebied. Daar hebben de jongens het ‘trappetje’ ontdekt.

In het Oostelijk Havengebied woont een bijzondere mix van mensen met alle mogelijke culturele achtergronden: hoogopgeleiden, laagopgeleiden, ondernemers, ambtenaren, werklozen, gezinnen en alleenstaanden. Je treft er, in vergelijking met de Indische Buurt, meer autochtonen en minder Marokkanen. Dat beschouwen de Marokkaanse jongens uit de Indische Buurt als voordeel, omdat er dan minder op hen wordt gelet. Hier worden ze niet gezien door bekenden.

De zoveelste

Ik schuif met mijn papieren. Maak er twee keurige stapeltjes van. Een beetje ordelijk overkomen bij mijn eerste vergadering lijkt me wel verstandig. Ik moet ten minste de índruk wekken dat ik alles onder controle heb, als nieuwe voorzitter van de vergadering over jeugdoverlast. Ik leg mijn kladblok naast het lijstje met de genodigden en pak een pen. Nee, hè? Geen pen. Net als ik in mijn tas met te veel vrouwendingen op zoek ga naar een pen, hoor ik een stem. Een grote man in blauw uniform stapt uit de lift.

Oké, dit is duidelijk, deze is van de politie. Ik speur op mijn lijstje van genodigden naar zijn naam, maar de man is me voor. Met vier grote stappen staat hij naast me. Een ferme handdruk en ‘Johan Schutte, buurtregisseur’ volgen.
‘Welkom, Johan. Fijn dat je er bent. Ik ben Eva Klooster. Het stadsdeel heeft mij ingehuurd voor de functie van coördinator Groepsaanpak. Zoals je waarschijnlijk weet, heeft de vorige coördinator een andere baan en ben ik nog niet ingewerkt.’ Alleen dat laatste deel van de zin laat ik natuurlijk weg.
Alsof hij mijn gedachten raadt, steekt buurtregisseur Johan van wal. Hij vraagt zich af wat het stadsdeel nu allemaal weer van plan is? ‘Jij bent de zoveelste coördinator. We hebben hier al van alles gehad. Dan hebben we weer een coördinator Jeugd en Veiligheid, dan weer een coördinator Jeugdoverlast. Ik geloof het allemaal wel. De vorige bleef nog geen jaar. Hoe lang ben jij van plan te blijven?’
Mijn contract zal over vier maanden aflopen, ik ben een interim, zoals dat heet. Maar ik krijg niet de gelegenheid hem dat te vertellen. Misschien maar beter ook.

Johan werkt al jaren in de buurt en kent alle jongens met een strafblad. Hij weet waar het misgaat met hen, weet waar ze wonen én kent hun ouders. Hij kent ook alle kleine jongens die het gevaar lopen in de voetsporen van hun oudere criminele broers te treden. Johan is nog niet klaar met zijn betoog en gaat in hetzelfde rappe tempo verder: ‘Kijk, als politie zitten we niet te wachten op vergaderclubje hier, vergaderclubje daar. De politie weet echt wel wat er nodig is. Dus eigenlijk vraag ik me af wat ik hier nu kom doen?’
Ik kijk tegen het licht naar het raam en zie het enorme silhouet van diender Johan. Hij is blijven staan en heeft zo te zien ook weinig behoefte om bij mij aan tafel te komen zitten.

Goed, dit is dan nummer een van mijn nieuwe collega’s in het stadsdeel. Ik moet even slikken.
Voor mij ligt nog steeds het lijstje met de mensen die voor de vergadering zijn uitgenodigd. Het zijn professionals uit dit stadsdeel die zich bezighouden met de hangjongeren in deze buurt. Met circa tachtig procent van de jongeren die hier overlast veroorzaken, is van alles aan de hand. De opeenstapeling van problemen die ze op allerlei gebieden hebben, maakt dat de professionals moeten samenwerken en informatie over de jongeren en over de groepen moeten delen. En daar is de vergadering van vandaag voor bedoeld. Het delen van informatie.

Er zijn vele plaatsen in het stadsdeel waar jongeren zonder problemen bijeenkomen om te chillen. Jeugdgroepen die de omgeving niet tot last zijn (vanzelfsprekend in de perceptie van de omgeving), worden ‘aanvaardbare’ jeugdgroepen genoemd. Is er sprake van overlast of crimineel gedrag rond de hangplekken, dan spreekt men – afhankelijk van de aard van de activiteiten – van ‘hinderlijke’, ‘overlastgevende’ of ‘criminele’ hanggroepen. In deze vergadering gaan we vragen beantwoorden over ‘het trappetje’, de hangplek achter het stadsdeelkantoor. Er is daar sprake van overlast, is er ook sprake van criminaliteit? Wat weten de organisaties over de jongens? Gaan ze naar school, hebben ze begeleiding of werk? Dat soort vragen.

Op het lijstje van genodigden staan een buurtregisseur, een jongerenwerker, een straathoekwerker, een wijkcoördinator, een zorgcoördinator en twee mannen van een jongerenteam. Deze mannen, is mij verteld, begeleiden jongeren uit het stadsdeel die geen school en werk hebben. Ze proberen de jongeren allereerst in een vast dagritme te brengen. De jongens moeten leren om ’s ochtends op tijd te komen, krijgen dan om tien uur een jasje van het jongerenteam en lopen door de buurt, als een soort buurtsurveillance. Klinkt interessant, denk ik, hoewel ik op dat moment nog niet voor mij zie hoe het in zijn werk gaat. Op mijn lijst mis ik namen van jeugdzorg en onderwijs. Ze zijn eigenlijk onmisbaar, maar jeugdzorgers en onderwijsmensen gaan weinig naar vergaderingen buiten hun eigen pand. Net wanneer ik me door het gemopper van buurtregisseur Johan ongemakkelijk begin te voelen, hoor ik: ‘Heeey, Johan!!!’

Ik zie een jongeman op buurtregisseur Johan af lopen. Het is jongerenwerker Yassir, geboren en getogen in de Indische Buurt. Ik ken hem, jaren geleden interviewde ik hem in een donker jongerencentrum. Grappig, hij is sindsdien niet veranderd. Nog steeds die hoge lach die klatert zodra je hem aankijkt.
Yassir krijgt een klopje van Johan en Johan een hand van Yassir. Na deze korte onderbreking pakt Johan zijn betoog over de misstanden in het stadsdeel moeiteloos weer op. Hij is net lekker op gang, sterker nog, hij zit midden in een zin als Johan verstoord opkijkt en plotseling zwijgt.

Een struise Hollandse dame stapt de ruimte binnen. Een collega van Johan zo te zien aan haar blauwe uniform. Ik ontmoet twee blauwe pretogen en een ontwapenende blik. ‘Anja Witteveen, politie, projectleider Jeugd.’ Ze steekt breed lachend haar hand naar mij uit. Tijdens de vergadering wisselen Anja en ik blikken van verstandhouding op de momenten dat de heren links en rechts van ons weer in de klaagstand staan. Aan het einde van de vergadering kijk ik Anja even vragend aan, veel tekst hebben we niet nodig.
‘Kom je volgende week langs op bureau Balistraat, Eva?’
‘Laten we dat inderdaad maar eens doen,’ zeg ik.

High potential

In de hal van het politiebureau Balistraat wordt geschreeuwd. Zijn het nu twee mannen of zijn het er meer? Een kakofonie van geluiden lijkt te willen ontsnappen aan de kleine hal. Het is er ook veel te krap voor een wijkbureau waar zo veel gebeurt. Tussen de drie bankjes tegen de muur en de balie is de doorgang nog geen anderhalve meter. Ik wacht op een van de bankjes op Anja. ‘Ze is nog even bezig en komt u zo halen,’ glimlacht de oudere vrijwilliger bij de balie. Het is een week na onze eerste ontmoeting op het stadsdeelkantoor.

Sinds kort werkt Anja als projectleider Jeugd, wat inhoudt dat ze alle collega’s aanstuurt die in deze wijk met jeugdigen werken. Ze houdt van haar werk, hoewel ze het nu niet gemakkelijk heeft. Het klonk leuk, haar nieuwe functie, maar doe het maar eens. Politiemensen zijn bijna per definitie eigenwijs. Vooral de mannen die al langer in het vak zitten en veel op straat hebben gelopen. Buurtregisseurs dus. Die hebben allemaal zo hun eigen methoden ontwikkeld om te overleven in dit werk. Sommige buurtregisseurs lopen of fietsen dagelijks een rondje en maken dan praatjes met de ogen en oren van de buurt. Met de kleine ondernemers, met de conciërges, met oma die vanaf haar balkon waakt over het pleintje, met de jongens die marktkramen opbouwen en met de jongens die doelloos rondhangen op de hoeken en pleinen. Er zijn ook buurtregisseurs die kiezen voor afstand. Zij waken liever over de veiligheid vanuit de auto of van achter hun motorhelm. Doorgaans schrijven ze meer bonnen uit dan de collega’s met hun buurtpraatjes. Bij de jongens in de buurtligt dit tweede type niet goed, zal ik al snel leren.

Anouar is een van de jongeren met wie de buurtregisseurs al jaren te maken hebben. Een slimme en charmante jongen, vertelt Anja me. Slim genoeg om jonge jongens voor hem te laten lopen en charmant genoeg om volwassenen in te pakken. Was Anouar in Wassenaar opgegroeid dan had hij waarschijnlijk rechten gestudeerd. Anouar heeft namelijk ook een snelle babbel, waarmee hij het als strafpleiter ver had kunnen schoppen. In Wassenaar was hij als tiener vast al gespot als ‘high potential’ door een oudere advocaat, die dan toevallig ook een golfvriendje van zijn vader zou zijn geweest. Anouar – die in Wassenaar natuurlijk eerder Diederik zou heten – zou als twintiger rondrijden in een leasebak en met kerst met zijn ouders en vriendin dineren bij restaurant De Markiezen. Vader Wassenaar zou trots geweest zijn op zijn zoon. Niet dat ze het in Wassenaar altijd makkelijk zouden hebben gehad. Er waren vast jaren bij geweest dat vader Wassenaar zoonlief midden in de nacht dronken moest ophalen in het ‘dorp’ en dat hij fors moest betalen voor bijles omdat Diederik meer achter de meisjes aan had gezeten dan huiswerk had gemaakt. Maar de bijles en de aandacht van vader Wassenaar zouden hebben geholpen, want in Wassenaar maak je nog kans op een glansrijke carrière na rebelse puberjaren.

Punt is, Anouar is niet opgegroeid in Wassenaar. Hij groeide op in de Niasstraat in de Indische Buurt in Amsterdam. Anouar kreeg geen bijles en er is ook geen vader die hem ophaalt van feestjes. Deze vader uit de Indische Buurt is niet trots op zijn zoon, hij zou niet weten waarom, want hij heeft zijn Anouar sinds de scheiding niet meer gezien. Anouar was toen nog een kleutertje. De moeder van Anouar leeft sindsdien alleen met Anouar en zijn twee oudere zussen. Een straat verderop woont oma, die een grote steun is voor het gezin, net als vriendin Malica, die ook vlakbij woont. Hoewel de vader in dit gezin ontbreekt, verwachten de buren dat het wel goed met hen zal komen. Anouar doet sinds zijn tienerjaren weliswaar dingen die het daglicht niet kunnen verdragen, maar iedereen verwacht nog steeds dat hij in staat is om zijn leven te beteren. Hij is immers slim en kan goed praten, wordt er vaak gezegd.

Er wordt geschreeuwd in de hal beneden. Het lijkt Anja niet te storen. Haar gedachten zijn elders. ‘Eva, straks moet ik weer naar de moeder van Anouar want hij is weer verdachte. Die vrouw kan niet meer, ze is op van alle spanning. Ze kan er niet meer tegen dat haar zoon steeds weer met de politie in aanraking komt.’ Anja zucht terwijl ze haar blauwe jas aantrekt en dan, vlak voordat ze de straat weer op gaat, kijkt ze me aan met een blik die zegt: Het is niet anders, het moet maar weer.

Doordat ik al eerder in deze buurt heb gewerkt, heb ik al zo veel gehoord over de moeder van Anouar dat het is alsof ik haar ken. Buren hebben mij verteld hoe deze vrouw jaren heeft moeten knokken nadat haar man haar had verlaten. Voor haar kinderen is zij hier in Nederland gebleven, om hun een betere toekomst te geven. Ze heeft zich voortgesleept en haar eenzaamheid bevochten. Nooit, niet één keer waren de pannen leeg. Iedere dag kwam ze met haar boodschappentas met wieltjes van driehoog naar beneden. Elke dag had ze gezorgd dat er eten klaarstond en als haar kinderen binnenkwamen, ging ze naar de keuken om het eten op te warmen. Voor zichzelf had ze nooit iets gekocht, behalve die ene keer voor de bruiloft van Radi, de oudste zoon van haar vriendin Malica. Hij had het verdiend, vond ze. Niet dat Radi in zijn jonge jaren altijd braaf was geweest, helemaal niet, maar hij was veranderd. Op een dag besloot Radi te gaan leven volgens de regels van de islam en was hij rustig geworden. Haar buurjongen Radi was een goede jongen, vond ze, ze voelde zich door hem gesteund. Haar eigen Anouar liet haar zitten.

Een paar minuten nadat Anja aangebeld heeft in de Niasstraat, gaat de deur op een kier. Twee paar vrouwenogen, één paar helblauwe en één paar pikzwarte, ontmoeten elkaar. Ze weten wat er gaat komen, Anja is hier al vaker geweest. Geroutineerd doet ze haar schoenen uit en zet die op de drempel naast de deur. Ze zegt moeder gedag, waarop moeder een poging doet om het slechte nieuws nog even voor zich uit te schuiven.
‘Anouar is er niet. Wat heeft hij gedaan? Hij zit buiten met vrienden, dat is niet verboden,’ probeert de moeder.

‘Het spijt me, daar kom ik niet voor,’ zegt Anja en ze vervolgt: ‘Anouar is weer gesignaleerd op de verkeerde plaats, bij een juwelier en deze keer komt hij er niet meer zo goed van af.’

Anja gebruikt weinig woorden, nog geen vijf minuten later staat ze weer buiten. Kort daarna horen de buren de moeder schreeuwen. Ze roept haar buurjongen Radi. ‘Breng hem hier, breng hem hier!’ Haar stem slaat over. Ze hangt in haar deurpost, een riem in haar rechterhand.
Beneden grijpt Anouar zich vast aan de leuning. Hij wil niet naar boven, maar krijgt een trap in zijn rug. ‘Lopen, naar boven, naar je moeder!’ schreeuwt Radi. Hij grijpt zijn kleinere buurjongen in zijn kraag. Anouar schreeuwt dat zijn shirt naar de kloten gaat, dat die fucker hem met rust moet laten. Het heeft geen effect. Hij wordt door Radi, die sterker en rustiger is dan hij, naar boven gesleurd.

Sinds een aantal jaar noemt Radi zichzelf salafist. Voordat hij praktiseerde had hij zichzelf regelmatig niet in de hand. Op de knokkels van zijn vuisten zitten nog altijd de littekens uit een andere fase van zijn leven. Als puber hing hij veel op straat en luisterde hij niet naar zijn ouders. Die tijd ligt ver achter hem. Je moet je ouders altijd respecteren, heeft zijn geloof hem geleerd. Nu haalt hij zijn buurjongen Anouar van straat, omdat diens moeder hem dat heeft gevraagd en de politie weer aan huis is geweest.

‘Naar binnen!’ schreeuwt de moeder, terwijl ze haar arm met de riem opheft. En Anouar luistert, hij gaat langs haar naar binnen. Hij heeft geen keus. De deur valt dicht.
 

Verder lezen?
Hangplek Holland van Eva Klooster is uitgegeven bij Meulenhoff
ISBN 9789029088121 € 18,95
Het boek is verkrijgbaar in de boekhandel of via internet.

Over de auteur: 

Eva Klooster is politicologe. Zij heeft als onderzoeker onder meer gewerkt op het terrein van jeugd & veiligheid, jeugdzorg en opvoeding. Tijdens haar werk werd ze regelmatig geconfronteerd met de complexe problematiek van deliquente jongeren en de moeizame aansluiting bij hulpverlening. In 2011 besloot zij om in eigen tijd gesprekken met jongeren en hun omgeving te voeren, in de hoop meer zicht te krijgen op oplossingen. Voor het schrijven van Hangplek Holland nam zij intrek in de buurt van een overlastsituatie. Vanuit haar werkplek boven een jongerenwerkplaats leefde en schreef zij mee met de belevenissen van de jongeren, buurtbewoners en professionals. Meer over Eva Klooster hier.

 

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook.  Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door ons te steunen.

 



Meer over criminaliteit, eva klooster, hangjongeren, hangplek holland, marokkaanse jongeren, overlast.

Delen:

Reageer




Reacties


Omar - 07/04/2014 10:40

Ik heb het boek gelezen en vond het ehct goed. Deze mevrouw Klooster heeft zich echt in de achtergronden verdiept, is kritisch en probeert onbevooroordeeld te werken. Dat zouden meer mensen moeten doen.