Het regeerakkoord van Rutte III over immigratie, integratie, discriminatie en aanpak terrorisme

In achtergronden op 10-10-2017 | 15:20

Vanmiddag is het regeerakkoord Vertrouwen in de Toekomst van het kabinet Rutte III gepresenteerd. Het akkoord dat VVD, CDA, D66 en ChristenUnie sloten bevat teksten over immigratie, integratie, discriminatie en radicalisering/terrorisme. Republiek Allochtonië geeft hieronder een overzicht van de relevante passages.

In vergelijking met de verkiezingsprogramma's (zie hier het overzicht) is er in het regeerakkoord relatief erg veel aandacht voor immigratie en en relatief weinig aandacht wordt voor integratie, de aanpak van discriminatie en radicalisering/terrorisme. Onderwerpen als bijvoorbeeld etnisch profileren door de politie, aandacht in het onderwijs voor het koloniaal- en slavernijverleden, zwarte piet ontbreken in het regeerakkoord. 

Immigratie

  • Het kabinet zet zich in voor een effectief en menswaardig migratie- en integratiebeleid op nationaal en Europees niveau. Dat omvat de aanpak van de oorzaken van vluchtelingenstromen, het verbeteren van opvang in de regio, het opvangen van vluchtelingen conform internationale verdragen en het tegengaan van irreguliere migratie.
  • Wie mag blijven, moet snel meedoen. Daarmee vergroten we kansen van nieuwkomers. Wie niet mag blijven, moet snel vertrekken.
  • Vluchtelingen die aan het noodlot willen ontsnappen, moeten bescherming krijgen. Dat hebben we verankerd in internationale verdragen. Nederland houdt die bescherming in ere en vindt dat andere landen, zeker EU-lidstaten, dat ook moeten doen, het is immers een gedeelde internationale verantwoordelijkheid.
  • Door veilige plaatsen te creëren die vluchtelingen en ontheemden dichtbij huis bescherming, hulp en kansen bieden, nemen we de noodzaak weg om verder te migreren. Hiervoor zijn structurele investeringen in politieke en economische samenwerking met die landen vereist door middel van ontwikkelingssamenwerking in aanvulling op noodhulp. Daarbij wordt samenwerking gezocht met de internationale organisaties IOM en UNHCR.
  • Er dient daarnaast geïnvesteerd te worden in het wegnemen van de grondoorzaken van migratie, zowel door Nederland als de EU. Deze investeringen zijn nodig om economische en rechtsstatelijke omstandigheden in landen van herkomst te verbeteren (om kansen in eigen land te verbeteren). Verder zal Nederland investeren in landen en regio’s waar grote aantallen vluchtelingen worden opgevangen, zoals de nieuwe partnerlanden Jordanië en Libanon, met het doel om daar de bescherming te verbeteren en vluchtelingen zelfredzaam te maken.
  • Vluchtelingen verdienen bescherming, maar dat omvat geen recht te mogen kiezen welk land dan die bescherming moet bieden. Het heeft de voorkeur de bescherming te bieden in de regio van het thuis dat men noodgedwongen moet ontvluchten. Nederland levert een actieve bijdrage aan het creëren en in stand houden van veilige en adequate opvang in de regio.
  • Om de ongecontroleerde migratiestroom naar Europa te reguleren, het verdienmodel van mensensmokkelaars te breken en vooral een einde te maken aan de talloze verdrinkingen op de Middellandse Zee, kunnen, bij voorkeur in Europees verband, overeenkomsten met betrekking tot migratie gesloten worden met veilige derde landen, die materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag.
  • Via deze overeenkomsten moeten in EU-verband afspraken worden gemaakt met transitlanden en landen in de regio van brandhaarden over de opvang en het terugnemen van asielzoekers, zowel van eigen onderdanen als van andere landen uit de regio.
  • Via een asielprocedure op grond van internationale wet- en regelgeving wordt beoordeeld of iemand toegang krijgt tot deze veilige opvang in de regio. Waar mogelijk wordt deze procedure georganiseerd door het land van opvang en anders bijvoorbeeld door de UNHCR. Eenmaal toegelaten tot deze veilige opvang is het mogelijk in aanmerking te komen voor hervestiging. Ook na het sluiten van een migratieovereenkomst met een veilig derde land worden de waarborgen daartoe onafhankelijk gemonitord . Ten behoeve van het zicht op de leefomstandigheden en bescherming zullen UNHCR en Unicef worden gefaciliteerd met middelen voor en toegang tot opvang en onderwijs.
  • Nadat deze maatregelen zijn gerealiseerd neemt de noodzaak af om met gevaar voor eigen leven door te migreren. Wie desondanks toch doormigreert komt daardoor in principe niet in aanmerking voor bescherming in het land van voorkeur. Men kan na een korte procedure worden teruggestuurd naar de opvang in de regio conform het ‘veilig derde land’ principe. Men kan immers daar (als de asielprocedure tot inwilliging leidt) gebruik maken van het recht op bescherming dat in internationale verdragen beschreven staat. Tijdens deze korte procedure heeft de asielzoeker wel de gelegenheid individuele omstandigheden naar voren te brengen indien men van mening is specifieke onaanvaardbare risico’s te lopen in de regionale opvang. Er is daarbij nadrukkelijk oog voor specifieke kwetsbare groepen. De praktijk blijft dat de immigratiedienst bepaalt of men al dan niet toegang krijgt tot de reguliere asielprocedure .
  • Naarmate het realiseren van deze maatregelen een lagere instroom naar Nederland bewerkstelligen, is Nederland ook bereid in toenemende mate hervestiging aan te bieden om de opvang in de regio te ontlasten. Hierover worden bij voorkeur in Europees verband verplichtende afspraken gemaakt. Het Nederlandse hervestigingsquotum bij de UNHCR gaat van 500 naar 750. In ons hervestigingsbeleid geeft het kabinet speciale aandacht aan kwetsbare minderheden en vluchtelingen met zicht op succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving.
  • Migratieovereenkomsten met veilige derde landen maken het ook beter mogelijk in een vroeg stadium terroristen of oorlogsmisdadigers op te sporen.
  • Het internationale asielrecht is gebaseerd op het VN Vluchtelingenverdrag uit 1951. Dat blijft ook het kader voor dit kabinet. Maar de aard en omvang van de wereldwijde asielmigratie is in de afgelopen decennia drastisch veranderd. Het kabinet laat daarom onafhankelijk onderzoek doen of en zo ja op welke wijze het verdrag bij de tijd moet worden gebracht om een duurzaam juridisch kader te kunnen bieden voor het internationale asielbeleid van de toekomst.

Europees asielbeleid

  • Alleen gezamenlijk kunnen wij het grote vraagstuk van migratie aan.
  • Hoewel de verplichtingen op grond van internationaal recht voor alle lidstaten gelijk zijn, wordt de naleving gecompliceerd door regionale en landelijke verschillen in de asielprocedures. De Nederlandse wet- en regelgeving moet gelijk zijn aan de Europese wet- en regelgeving. Het geboden beschermingsniveau en het kader voor de asielprocedures moeten in alle EU-lidstaten gelijk zijn.  Nederland streeft naar harmonisatie op dit terrein om zo ook concurrentie door middel van verslechtering in leefomstandigheden en wetgeving voor asielzoekers te verhinderen.
  • In de tussentijd is het streven om de volgende nationale koppen op Europese wet- en regelgeving te schrappen.  
  1. Een asielvergunning wordt in eerste instantie voor drie jaar verleend en niet langer voor vijf jaar. Daarna kan men in aanmerking komen voor een vergunning voor nog eens twee jaar. Wie na deze twee tijdelijke verblijfsvergunningen nog steeds voldoet aan de eisen voor een vluchtelingenstatus krijgt een vergunning voor onbepaalde tijd.
  2. Indien op basis van de stukken bij een herhaalde aanvraag blijkt dat deze aanvraag geen kans van slagen heeft, wordt het gehoor achterwege gelaten.
  3. Rechtsbijstand wordt in lijn met EU-regelgeving na een voornemen tot afwijzing van een asielaanvraag verstrekt, mede ter ontlasting van de justitiële keten. Hierdoor komt capaciteit bij de IND vrij die elders wordt ingezet.
  • Het is noodzakelijk het concept van ‘veilig derde land’ nader te specificeren om het uitgangspunt van opvang in de regio effectief te kunnen realiseren. Ook een juridisch noodmechanisme dat ingezet kan worden in tijden van hoge instroom dient beschikbaar te zijn zodat er binnen een duidelijk Europees kader vluchtelingen op kunnen worden gevangen in locaties in de regio waar men o.a. veiligheid, onderdak en medische zorg ontvangt. Nederland wil daarin binnen de EU een voortrekkersrol blijven vervullen.
  • De Europese Commissie spoort terecht landen aan effectiever te zijn in het doen terugkeren van migranten die na een asielprocedure afgewezen zijn. Om dat te realiseren moet ook Europese wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op bestuursrechtelijke vreemdelingendetentie, worden aangepast en geïntensiveerd om terugkeer effectief te laten zijn. Gezinnen met kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden net als nu op een kindvriendelijke wijze opgevangen.

Europese buitengrenzen

  • Goed bewaakte Europese buitengrenzen zijn een voorwaarde voor open binnengrenzen. Om drama’s op zee en de bloei van de mensensmokkel een halt toe te roepen is in aanvulling op bovenstaande nodig dat we onze EU-buitengrenzen stevig bewaken. Om de Nederlandse bijdrage hieraan te vergroten breiden we onze capaciteit ten behoeve van grensbewaking uit en zetten we waar nodig (ook binnen Europa) noodhulpmiddelen in.
  • Aan de Europese buitengrens dienen ook procedures plaats te vinden voor terugkeer naar het land van herkomst of veilige opvanglocaties. Met name Griekenland en Italië verdienen ondersteuning bij hun asielproces en opvang. Nederland zal hieraan additionele capaciteit bijdragen via de Border Security Teams.
  • Samenwerking met landen van waaruit migranten vertrekken moet worden geïntensiveerd. Onder meer op het terrein van maritieme Search and Rescue in territoriale wateren. Drenkelingen dienen conform de bestaande internationaalrechtelijke kaders naar de dichtstbijzijnde veilige haven te worden gebracht, ook al is dat aan de kant van waaruit men vertrokken is. Het non-refoulement principe is hierbij leidend. Het overbrengen van migranten naar Europees grondgebied terwijl de dichtstbijzijnde veilige haven in Afrika dan wel het Midden-Oosten ligt, faciliteert mensensmokkel en moet worden tegengegaan.
  • Versterking van de (internationale) aanpak van de leiders van de organisaties die zich met migratiecriminaliteit bezighouden moet worden bereikt door structurele inzet van sancties, bijvoorbeeld door berechting voor een internationaal hof en het toepassen van het EU sanctie-instrumentarium zoals dat ook tegen terroristen wordt ingezet.
  • Voor de internationale samenwerking ten aanzien van veilige havens in derde landen is, net als bij medewerking aan gedwongen terugkeer, het principe van ‘more for more en less for less’ leidend. Zowel positieve als negatieve prikkels worden aangewend om landen van herkomst te bewegen tot het terugnemen van onderdanen. Hierbij zijn onder andere het verstrekken of onthouden van OS-gelden, maar ook het verstrekken of weigeren van visa voor inwoners, in het bijzonder voor overheidsbeambten en hooggeplaatsten, van het betreffende land of het verstrekken of intrekken van landingsrechten van vluchten vanuit dat land, mogelijke drukmiddelen.

Tegengaan asielopvangshoppen binnen de EU

  • Binnen de onderhandelingen over het Gemeenschappelijk Europees Asiel Systeem wordt stevig ingezet op het effectief tegengaan van doorreizen binnen de EU en/of “asielshoppen” tussen EU-lidstaten. Elke EUlidstaat moet eraan bijdragen dat zelfstandig reizen naar de EU in plaats vaneen aanvraag te doen via de veilige opvang in de regio, zonder effect blijft . .
  • Ook het binnen de EU doorreizen uit het land dat, bijvoorbeeld na hervestiging of eerste asielaanvraag in een ander Europees land (‘Dublin’), bescherming biedt, naar een andere EU-lidstaat moet via korte procedures worden ontmoedigd door die doorreizigers geen recht te geven op verblijf en voorzieningen.
  • Ondertussen zal Nederland voor alle asielaanvragers die in aanmerking komen voor relocatie zijn fair share blijven nemen conform oorspronkelijke relocatiebesluiten zoals ook door de Europese Commissie gevraagd. Daarmee toont Nederland zich solidair met zijn Europese partners. Lidstaten die hierbij niet aan hun verplichtingen voldoen moeten worden gekort op Europese subsidies.

Opvang en draagvlak in Nederland

  • Schommelingen in de hoogte van de instroom die leiden tot het in korte tijd moeten realiseren van extra opvang, ondermijnen het draagvlak voor opvang. Daarnaast is er in onze samenleving weinig begrip voor de instroom van asielzoekers uit veilige landen van herkomst, zeker als zij (lange tijd) opgevangen worden in asielzoekerscentra in woonwijken.
  • Nederland moet blijvend flexibel kunnen reageren op schommelingen in de omvang en/of samenstelling van de instroom. Hiervoor hebben we een flexibel asielsysteem nodig, dat zowel maatschappelijk als financieel effectiever is dan het nemen van ad hoc maatregelen. Binnen dit systeem moeten opvang, de asielprocedure en integratie dan wel terugkeer integraal worden benaderd en de samenwerking in de vreemdelingenketen en met gemeenten worden versterkt. Op een beperkt aantal plaatsen in het land gaan de ketenpartners onder één dak werken met middelgrote opvangcentra op en/of nabij hetzelfde terrein. Daar wordt een eerste selectie gemaakt in een snelle efficiënte procedure die bepaalt in welk spoor de asielzoeker verder in procedure gaat. Asielzoekers met een grote kans op asiel gaan naar kleinere opvangcentra in de buurt van de gemeente die hen later zal huisvesten. Daar begint men direct met taalles en kan al tijdens de asielopvang begonnen worden met integratie door de gemeente waar men later gehuisvest zal worden. De overheid houdt bij de plaatsing van kansrijke asielzoekers rekening met hun werkkwalificaties en het lokale baanaanbod. Het aantal verhuisbewegingen wordt door deze integrale opzet tot een minimum beperkt, zeker waar het schoolgaande kinderen betreft, van hen wordt in principe niet verlangd elders binnen Nederland te verhuizen. Asielzoekers van wie de aanvraag een kleine tot geen kans van slagen heeft, blijven in de middelgrote centra. Zij komen daar direct in de snelle procedure. Een afwijzing leidt vervolgens meteen tot een uitzettingsprocedure.
  • Dit betekent dat in de nabijheid van die behandellocaties dus ook ruimte moet zijn voor VBL’s (vrijheidsbeperkende locaties) en EBTL’s (extra begeleiding en toezicht locaties) voor overlastgevende asielzoekers.
  • Stapeling van aanvragen wordt zoveel mogelijk verminderd door zeker te stellen dat de asielprocedure acht dagen duurt en dat de eendagstoets bij een herhaalde aanvraag binnen twee dagen plaatsvindt. Om deze procedures snel te laten verlopen gebruikt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de extra capaciteit.
  • Nederland wil alleen bescherming bieden aan mensen die het verdienen. Oorlogsmisdadigers moeten geen gebruik kunnen maken van onze bescherming. Het team internationale misdrijven van de IND (1F-unit) wordt daarom versterkt om potentiële oorlogsmisdadigers in de asielstroom te signaleren.

Effectieve terugkeer

  • Als in rechte vaststaat dat iemand geen verblijfsrecht in Nederland heeft wordt hij teruggebracht naar het land van herkomst. Dat kan in de praktijk op problemen stuiten, omdat de bereidheid van de uitgeprocedeerde om mee te werken ontbreekt, dan wel omdat de bereidheid van landen van herkomst om mee te werken ontbreekt. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) krijgt extra capaciteit met als doel een hoger aandeel aantoonbaar vertrek te realiseren. Intensiever case management kan leiden tot hoger zelfstandig vertrek. Bijvoorbeeld door terugkeerbereidheid van groepen te stimuleren waarvan die bereidheid nu laag is. Samenwerking met gemeenten is hiervoor ook cruciaal.
  • Ook gedwongen vertrek, zoals bij criminele vreemdelingen, wordt vergroot door mogelijkheden om vreemdelingen in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring te stellen, te verruimen binnen de kaders van Europese wet –-en regelgeving. De DT&V krijgt daarnaast budget om aan capaciteitsopbouw te doen bij zusterautoriteiten in derde landen om zo operationele samenwerking te stimuleren
  • Speciale aandacht hierbij gaat uit naar minderjarige migranten. Het gebeurt te vaak dat kinderen in levensgevaarlijke situaties belanden. Het kabinet realiseert adequate opvang voor minderjarigen in het land van herkomst waardoor zij veilig kunnen opgroeien als zij daardoor terug kunnen keren naar het thuisland. Dit geldt dus niet bij thuislanden die als zodanig onveilig zijn (zoals bijvoorbeeld nu Syrië).

Opvang vertrekplichtigen

  • Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten Nederland zelfstandig en zo snel mogelijk verlaten. Wie dat niet direct doet kan een beperkte periode worden opgevangen in een van de acht op te richten LVV (Landelijke vreemdelingenvoorziening)-locaties onder toezicht van DT&V en in samenwerking met gemeenten. De eerste twee weken geldt geen voorwaarde tot meewerken aan terugkeer naar land van herkomst, daarna moeten zij meewerken aan terugkeer, tenzij blijkt dat zij toch in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Wanneer zij niet serieus werken aan terugkeer naar land van herkomst wordt hen opvang en ondersteuning ontzegd.
  • Hiertoe wordt een akkoord gesloten met de VNG. Gemeenten kunnen vertrekplichtigen vervolgens naar de LVV locaties verwijzen. Daarbij blijft individuele noodopvang voor enkele dagen op basis van de openbare orde mogelijk, maar niet eigen bed-bad-brood voorzieningen.

Kinderpardon

  • De permanente regeling voor langdurig in Nederland verblijvende kinderen (kinderpardon) blijft in haar huidige vorm gehandhaafd.

Legale migratie

  • Asielmigratie dient om bescherming te bieden, niet om het verkrijgen van arbeid te faciliteren. De asielprocedure is niet bedoeld voor mensen die om economische redenen naar Nederland willen komen. Die vermenging is onwenselijk en moet worden tegengegaan. Er zijn echter ook arbeidsmigranten die een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse economie en samenleving. Voor Nederland gunstige arbeidsmigratie wordt dus gefaciliteerd. Het kan de (kennis)economie, innovatieve slagkracht en concurrentiepositie van Nederland versterken. Daarom voeren wij naar rato van de behoefte van de arbeidsmarkt een positief legaal migratiebeleid. De tewerkstellingsvergunning zal ook voor drie jaar kunnen worden verleend. Uitbuiting van migranten wordt actief bestreden.

Nederlanderschap, nationale identiteit

  • We vinden het belangrijk de kennis over onze gedeelde geschiedenis, waarden en vrijheden te vergroten. Deze maken ons tot wat we samen zijn. In Nederland is iedereen gelijkwaardig, ongeacht geslacht, seksuele geaardheid of geloof. Tolerantie naar andersdenkenden is de norm en kerk en staat zijn gescheiden. In Nederland kun je kiezen welk geloof je wilt belijden, of om niet te geloven. Dit zijn waarden waar we trots op zijn en die ons maken tot wie we zijn.
  • Het is van groot belang dat we die historie en waarden actief uitdragen. Het zijn ankers van de Nederlandse identiteit in tijden van globalisering en onzekerheid. Op school leren kinderen daarom het Wilhelmus, inclusief de context ervan. Ook maken we het mogelijk dat alle kinderen tijdens hun schooltijd het Rijksmuseum en ons parlement bezoeken.
  • We investeren in het beter zichtbaar maken en zo mogelijk toegankelijk maken van historische plaatsen in het land die het verhaal van onze geschiedenis vertellen. De in 2006 opgestelde nationale canon is hierbij leidend. Deze nationale canon wordt uitgereikt aan jongeren die de leeftijd van 18 jaar bereiken en aan personen die het Nederlanderschap verwerven.

Integratie

  • In een rechtvaardige samenleving mag je afkomst nooit je toekomst bepalen. Integratie is daarom van essentieel belang voor zowel mensen zelf als de Nederlandse samenleving.
  • Succesvolle integratie vereist zowel het nemen van eigen verantwoordelijkheid, als een samenleving die iedereen de kans biedt zijn talenten te ontplooien. Meedoen dus. Door de taal te leren, aan het werk te zijn, actief deel te nemen aan onze samenleving en de Nederlandse vrijheden en gelijkheden - verankerd in onze Grondwet - te respecteren.
  • Het kabinet investeert in het vergroten van kansen. Het aanbod van voor- en vroegschoolse educatie wordt vergroot naar vier dagdelen om achterstanden te voorkomen of weg te nemen. Ook wordt stevig geïnvesteerd in het onderwijsachterstandenbeleid, in het primair onderwijs, in effectieve inburgering door gemeenten en de bestrijding van laaggeletterdheid. We bieden kansen, die mensen dan zelf moeten pakken. 

Inburgering

  • Het Nederlanderschap is iets om trots op te zijn en wat je moet verdienen. Snelle integratie van asielzoekers is van groot belang.
  • Van nieuwkomers wordt verwacht dat zij alles doen om te integreren: het leren van de taal, het respecteren van onze wetten, het omarmen van onze vrijheden en gelijkheden en het vinden van werk. Actieve integratie door de asielzoeker zelf is daarbij het uitgangspunt.
  • Alle asielzoekers met grote kans op inwilliging en alle statushouders in de opvang van het COA krijgen vanaf dag één taalles.
  • De taaleis wordt aangescherpt van A2 naar B1. Hiertoe wordt ook taalles op niveau B1 gefinancierd door de rijksoverheid.  
  • Er blijft gemeentelijke experimenteerruimte voor het bieden van werkmogelijkheden aan aspirantstatushouders.
  • Te veel nieuwkomers blijven te lang aangewezen op een bijstandsuitkering. Dit is een onacceptabele uitkomst van het inburgeringsbeleid. Om dat te voorkomen dient er, waar mogelijk, een activerend en tegelijk ontzorgend systeem van sociale voorzieningen te zijn. Een simpeler en activerend systeem van voorzieningen voor statushouders kan dan inhouden: integratie met burgerschapswaarden en een verplicht leer- en (vrijwilligers)werktraject; een begeleide toegang tot de verzorgingsstaat: gemeenten innen de zorgtoeslag, huurtoeslag en bijstand gedurende de eerste twee jaar en de nieuwkomer ontvangt deze voorzieningen en begeleiding in natura met leefgeld.
  • Na een toetsmoment kan een statushouder die zichzelf redt op de arbeidsmarkt, eventueel eerder uitstromen. Iemand die niet slaagt voor de toets, stroomt in principe nog niet uit. Op basis van het voorgaande worden middelen en werkwijzen ontwikkeld die in alle gemeenten toepasbaar kunnen zijn, zo nodig op basis van wet- en regelgeving, die het mogelijk maakt op deze wijze de zelfredzaamheid van nieuwkomers te bevorderen.
  • Daarnaast wordt de termijn voor het openbare-orde-criterium bij naturalisatieverzoeken van 4 naar 5 jaar aangescherpt. Het Nederlanderschap kan zo alleen verkregen worden indien niet binnen 5 jaar voorafgaand aan de indiening van een naturalisatieverzoek door verzoeker een misdrijf is begaan.
  • Verwijtbaar niet inburgeren heeft consequenties, zoals het verliezen van de verblijfstatus voor reguliere migranten en het niet verkrijgen van een sterkere verblijfsstatus voor asielvergunninghouders. Ook een korting op de uitkering bij mensen die niet goed inburgeren is aan de orde.
  • Inburgeren is een plicht en een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. De voorwaarden voor inburgering in Nederland betreffen taalkennis, kennis van wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende vrijheden en gelijkheden, grondwettelijke rechten en plichten , aantoonbaar participeren, voldoen aan de sollicitatieplicht en tegenprestatie die gelden voor uitkeringsgerechtigden.
  • De wijze waarop inburgeringscursussen worden gegeven en de examens worden getoetst, zal worden herzien waarbij kwaliteit, effectiviteit en handhaving van belang zijn. De publieke omroep kan hierbij een rol spelen. Ook worden vluchtelingen die worden hervestigd voorbereid op de komst naar ons land.

Discriminatie

  • We mogen er niet in berusten dat bijvoorbeeld jongeren met een niet-westerse achtergrond het zoveel lastiger hebben om een baan of zelfs maar een stageplaats te vinden. Dat is demotiverend en draagt niet bij aan het gevoel volwaardig onderdeel van de Nederlandse samenleving te zijn.
  • Arbeidsmarktdiscriminatie wordt met kracht aangepakt. De overheid zal als werkgever het goede voorbeeld geven door een actief diversiteits- en antidiscriminatiebeleid te voeren. Een democratische samenleving kan alleen functioneren als we een grens trekken als vrijheden van de ander worden bedreigd, als iedereen meedoet en discriminatie wordt bestreden. Voor homohaat, antisemitisme, moslimhaat, eerwraak, genitale verminking, kinderhuwelijken, gedwongen huwelijken, haat zaaien en geweld tegen andersdenkenden en tegen minderheden is geen plaats in onze samenleving. 
  • Het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie krijgt daarom een vervolg, waarbij onder andere aandacht wordt gegeven aan het bestrijden van discriminatie in sollicitatieprocedures, bij zwangerschap en een stevige handhavende rol voor de inspectie SZW.

Emancipatie en LHBTI

  • In Nederland is iedereen gelijkwaardig en heb je de vrijheid om te houden van wie je wilt en om zichtbaar jezelf te kunnen zijn. Waar die vrijheid wordt beknot, er gediscrimineerd wordt of zelfs mensen niet veilig zijn, treedt de overheid actief op.
  • Emancipatie en het beschermen van onze waarden hebben continu onze aandacht nodig. Zo sloten acht politieke partijen het regenboogakkoord. De bevordering van emancipatie van LHBTI en mensen met een beperking is belangrijk en door verschillende maatschappelijke groeperingen onder de aandacht gebracht. Er worden verschillende maatregelen tegen discriminatie genomen zoals de aanvulling van artikel 1 van de Grondwet tegen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en een beperking.
  • De behandeling van het initiatiefvoorstel tot aanvulling van de Algemene wet gelijke behandeling ter verduidelijking van de rechtspositie van transgender personen en intersekse personen wordt voortgezet en de discriminatieverboden in het Wetboek van Strafrecht blijven ongewijzigd. Onnodige geslachtsregistratie wordt waar mogelijk beperkt. In het onderwijs, onder meer bij de opleiding van docenten en in het MBO, wordt de positie van LHBTI verbeterd. In het buitenlands beleid wordt de aandacht voor de positie van LHBTI en de seksuele en reproductieve rechten voortgezet. 

Radicalisering en terrorisme

  • Terrorismebestrijding vergt onverminderde aandacht. De rapportages omtrent het dreigingsbeeld tonen aan dat ook in de komende periode op alle borden tegelijk zal moeten worden geschaakt. Voor preventie en de-radicalisering betekent dit dat moet worden bezien welke aanpak het meest effectief is en hoe “best practices” kunnen worden gedeeld en uitgevoerd.
  • Ook moet alles in het werk worden gesteld om te voorkomen dat aan “haatpredikers” een podium wordt geboden.
  • Daarnaast blijven ook repressieve maatregelen noodzakelijk, waarbij telkens kritisch afgewogen moet worden in welke mate de privacy en overige vrijheden worden ingeperkt. Voor contraterrorisme is 13 miljoen euro extra per jaar beschikbaar.
  • Van (potentiële) terugkeerders gaat een bijzondere dreiging uit, gelet op hetgeen zij hebben meegemaakt en waaraan zij mogelijk zelfs hebben deelgenomen. Omdat de bewijsvoering in dezen bijzonder moeilijk is, zal worden bezien of en hoe de samenwerking met onafhankelijke internationale organisaties (die zich bezighouden met het verzamelen van bewijzen) kan worden bevorderd. Zorgvuldige bewijsvergaring kost tijd, gedurende welke het risicovol geacht wordt dat terugkeerders zich vrijelijk kunnen bewegen in onze samenleving. Daarom wordt wetgeving tot stand gebracht op basis waarvan terugkeerders gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis gehouden kunnen worden, waarbij de rechter kritisch kan blijven toetsen of daartoe (nog) aanleiding bestaat.
  • Deze wetgeving omvat verder de strafbaarstelling van opzettelijk verblijf zonder toestemming in een onder controle van een terroristische organisatie staand gebied en verruiming van de mogelijkheid van DNA-onderzoek bij een verdenking van een terroristisch misdrijf.
  • In de EU zet Nederland in op een veel strengere aanpak van jihadisme.
  • Beïnvloeding vanuit onvrije landen en organisaties via social media of door de financiering van organisaties in Nederland is onwenselijk. Voorkomen moet worden dat vanuit het buitenland via geldstromen naar politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties onwenselijke invloed wordt gekocht. Daartoe zullen deze geldstromen meer transparant gemaakt worden. Wederkerigheid vormt hierbij een belangrijke toetssteen. Geldstromen vanuit onvrije landen, waarbij misbruik wordt gemaakt van onze vrijheden, zullen zoveel mogelijk worden beperkt.
  • De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, beschermd in onze grondwet en in internationale verdragen. De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief voor aanzetten tot haat en radicalisering. Daar trekken wij de grens. Het beledigen van mensen of groepen om wie of wat zij zijn (art 137c Sr) blijft daarom strafbaar. Om de ernst van het delict te benadrukken wordt de strafmaat voor haatzaaien (art 137d Sr) verdubbeld van 1 naar 2 jaar.
  • Onze democratische rechtsstaat moet weerbaarder worden gemaakt tegen radicale antidemocratische krachten. De verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen, worden uitgebreid door aanpassing van art 2:20 BW. 

Het gehele regeerakkoord is hier te lezen. 


Meer over CDA, ChristenUnie, D66, regeerakkoord, Rutte III, VVD.

Delen:

Reageer




Nieuwsbrief