Geradicaliseerde jongeren zijn niet alleen maar slachtoffers van een samenleving die hen niet accepteert

In achtergronden door Marion van San op 12-02-2015 | 23:14

Tekst: Marion van San

Dat jongeren die vanuit Europa naar Syrië vertrekken vooral slachtoffers zijn van een samenleving die hen niet accepteert, is een stelling die niet door de empirie wordt ondersteund. Hoe beter jongeren geïntegreerd zijn, hoe groter juist de kans is dat zij radicaliseren. Dat stelt onderzoeker Marion van San.

Sinds bekend is geraakt dat er vanuit België, maar ook uit andere Europese landen, zoveel jongeren zijn vertrokken om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië is hierover een heftig debat ontstaan. Het debat zoals dat in België wordt gevoerd is echter doordrongen van een reeks stereotypen, die niet stroken met wat uit de internationale literatuur bekend is, en die een goede analyse van het fenomeen in de weg staan. 

Dat jongeren die vanuit Europa naar Syrië vertrekken vooral slachtoffers zijn van een samenleving die hen niet accepteert, en waarin ze geen kansen krijgen, een stelling die Rik Coolsaet eerder naar voren bracht, wordt in ieder geval niet door de empirie ondersteund. Niet alleen in de literatuur over moslimextremisme, maar over terrorisme in het algemeen van welke soort dan ook, is de uitslag steeds consistent: het gaat lang niet altijd om mensen met een lage sociaal-economische status, kanslozen en gefrustreerden, zoals het ook geen mensen zijn met psychiatrische afwijkingen.

Ook de Belgische gezinnen van waaruit jongeren vertrokken zijn, zijn niet allemaal afkomstig uit de lagere klasse, de jongeren die vertrokken zijn betreffen niet allemaal laaggeschoolden en gefrustreerden en voor de discriminatie waar zij het slachtoffer zouden van zijn geweest is op casusniveau meestal weinig empirisch bewijs te vinden.

Er is door de jaren heen internationaal veel onderzoek gedaan naar radicalisme en extremisme en wat daaruit blijkt is dat jonge mannen en vrouwen die radicaliseren en waarvan sommigen zich vroeg of laat te buiten gaan aan extremisme, vaak jongeren zijn uit middenklasse gezinnen maar ook zijn er voorbeelden bekend van jonge mannen en vrouwen uit de hogere klassen. Denk wat dit betreft bijvoorbeeld aan de kapers van 11 september waarvan de meesten uit vooraanstaande families kwamen.

Daar komt nog een belangrijke overweging bij. Lage sociaal-economische positie en kansloosheid gelden namelijk voor een heel grote groep terwijl slechts heel weinigen het extremistische pad opgaan. En als kansloosheid inderdaad tot extremisme zou leiden, zouden de armste landen in de wereld de meeste extremisten leveren. En we weten dat dit niet het geval is. Zijn er dan helemaal geen kansarmen onder degenen die vertrekken? Die zijn er wel degelijk en dat is de groep waar Coolsaet over schrijft. Maar nogmaals, de groep die naar Syrië is vertrokken, is veel diverser dan hij lijkt te suggereren.

Een ander veel gehoord stereotype in het debat in België is dat, ondanks dat onderzoek het tegenspreekt, radicalisering nog steeds veel te vaak wordt begrepen als een proces dat voortvloeit uit een mislukte integratie. Onderzoek wijst echter uit dat juist de zogenaamde integratieparadox een voedingsbodem is voor radicalisering. Met deze paradox wordt bedoeld dat de kinderen en de kleinkinderen van immigranten, die hier geboren en opgegroeid zijn, zich in sterke mate richten op de Belgische samenleving. Zij streven sociale acceptatie en mobiliteit na en doen er alles aan om zich te integreren. Het gevolg hiervan is dat zij hogere maatschappelijke verwachtingen hebben dan anderen en vaak gevoeliger zijn voor uitsluiting en (vermeende) discriminatie. Bij negatieve ervaringen kunnen ze zich afkeren van de samenleving en hun heil zoeken in een deviante groepsidentiteit.

Ik durf dan ook de hypothese aan dat hoe beter jongeren geïntegreerd zijn, hoe groter de kans is dat zij radicaliseren. Voor deze hypothese zijn overigens voldoende aanwijzingen te vinden. Vaak zijn jongeren die geradicaliseerd zijn immers voor hun radicalisering erg westers georiënteerde jongeren, die uitgaan, alcohol gebruiken, vaak softdrugs, maar die zich in een latere fase van hun leven meer met hun geloof zijn gaan bezighouden, of zich bekeerd hebben tot de islam en dan binnen de kortste keren doorgeslagen zijn in hun geloof. In veel gevallen hebben zij een afgeronde schoolopleiding of een baan en is hun vriendenkring veelal etnisch gemengd.

Wat opvalt in het debat van de laatste weken en maanden is dat er niet alleen veel te vaak geijkte verklaringen worden gegeven voor het vertrek van zoveel jongeren, maar dat er vervolgens vooral geijkte oplossingen worden aangedragen die eigenlijk een ander probleem bestrijden.

In de huidige tijd is het echter te riskant om in dergelijke schijnoplossingen te volharden nu het gaat om kwesties van leven en dood. Het feit dat de groep waarover we het hier hebben zo divers is geeft meteen de moeilijkheid aan bij het zoeken naar oplossingen. Zo weten we dat het tegengaan van armoede niet voldoende is om radicalisme en extremisme tegen te gaan. Net zoals van voorstellen zoals het aanpakken van de (jeugd)werkloosheid weinig te verwachten valt.

Dit is overigens geen pleidooi om te gaan morrelen aan de fundamenten van het armoedebeleid, of geen werk meer te maken van de al veelvuldig aangetoonde discriminatie op de arbeidsmarkt. Maar men moet niet de illusie koesteren dat deze maatregelen radicalisme en extremisme zullen tegengaan.

Om de groep waar het hier over gaat werkelijk te begrijpen is langdurig en diepgaand inzicht nodig in de jongeren en de families waar ze uit voortkomen, zodat we stilaan afstand kunnen nemen van de stereotypen die nu nog veel te vaak het debat overheersen. Al het andere is een maat voor niets.

Dr Marion van San is hoofdonderzoeker aan het RISBO (Erasmus Universiteit Rotterdam). Zij doet sinds 2009 etnografisch onderzoek naar families van radicaliserende jongeren. Dit artikel verscheen eerder in De Standaard en is in overleg met de auteur ook op Republiek Allochtonië geplaatst.
Het artikel van Marion van San leidde tot een stevig debat in België. Van San reageerde hierop in dit vervolgartikel.  

Lees ook:

Meer artikelen over oorzaken van radicalisering hier

 

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook.  


Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook! 


 


Meer over belgië, jihadisme, jihadisten, marion van san, onderzoek, radicalisering.

Delen:

Reageer




Reacties


John Dubbelboer - 13/02/2015 22:31

van Oirschot
acceptatie is een affectieve zaak en waarschijnlijk een basisvoorwaarde voor elke integratie. Perfect geintegreerd zijn en toch niet geaccepteerd op de arbeidsmarkt?
Het verhaal van Van San gaat over de integratieparadox en dat gaat over percepties. Hoe meer geintegreerd, hoe hoger de verwachtingen. Moeilijk puntje als je beleidsagenda is het bestrijden van racisme, discriminatie en werkloosheid. Vandaar wellicht de verzuchting "morele kruisvaarders".

Dion van Oirschot - 13/02/2015 15:32

Het is enigszins merkwaardig om te zien dat auteur de mate van integratie afmeet aan zaken als opleidingsniveau en het hebben van een gemengde vriendenkring enerzijds. Maar anderzijds lijkt te zeggen dat de acceptatie van de samenleving gelijk oploopt met de mate van integratie. Dat is natuurlijk een compleet verkeerde voorstelling van zaken. Iemand kan perfect geïntegreerd zijn in een samenleving (hoge opleiding, diverse vriendenkring) en toch niet geaccepteerd worden op de arbeidsmarkt en veelvuldig geconfronteerd worden met discriminatie. De auteur verwart dus twee zaken: integratie en acceptatie.