De bevrijding van Oties

In achtergronden door Yvette Kopijn op 11-12-2017 | 10:36

Iedere verteller die in het boek Antara Nusa aan het woord komt, heeft weer een eigen herinnering aan de dag van de Japanse overgave op 15 augustus 1945 en de periode erna. Zo ook Oties Latumaerissa, in 1935 geboren op Ambon als zoon van een pendata (dominee) en een regentsdochter.

Het huis waarin hij tot zijn zesde opgroeide, stond op het eiland Haroekoe en keek uit over het dorp Aboroe. Het gezin had veel aanzien, maar Oties leerde vooral om ‘gewoon’ te blijven. Met een echtgenoot die voortdurend op reis was om het evangelie te verkondigen, was zijn moeder voor het draaiende houden van het huishouden even afhankelijk van de mensen in het dorp als andersom. En dus groeide Oties temidden van een hechte gemeenschap en speelde hij met iedereen, ongeacht of ze nu Moslim of Christen waren.

De Japanse bezetting kwam op het moment dat Oties niet meer thuis woonde. Omdat er in het dorp geen school voorhanden was, was hij samen met zijn broers en zussen naar Ambon-Stad verhuisd, waar hij zijn intrek deed in een familiehuis dat bestierd werd door een tante. Na de komst van de Japanners verandert er voor zijn vader niet veel, de Japanners laten hem zijn werk gewoon voortzetten. Maar voor Oties en zijn broers veranderde er wel degelijk iets.  De Hollandse meesters en juffen worden opgepakt en naar Java overgebracht om daar geïnterneerd te worden. Hun werk wordt overgenomen door Inlandse onderwijzers. Na school heeft Oties geen tijd meer om te spelen, maar moet hij zijn broers helpen om groente te verbouwen en vis te vangen uit zee. Rijst is er nauwelijks meer.

Natuurlijk heeft Oties ook herinneringen aan de dag dat de Japanners zich overgaven. Hij zegt daarover:

‘Overal op het eiland is het feest, de mensen zijn blij en dankbaar dat ze tot de Nederlandse groep behoren. Op het schoolplein wordt de rood-wit-blauwe vlag gehesen en alle kinderen zingen. Ook mijn vader hijst die dag het rood-wit-blauw. We horen bij Nederland – we zijn ook Nederlands. In mijn geboorte uittreksel kun je het lezen: ik ben geboren als Nederlands onderdaan’.

Na de Japanse overgave volgt de toespraak van Soekarno in Jakarta, waarin hij Indonesië onafhankelijk verklaart. En weer is het feest op Ambon, zo herinnert Oties zich:

‘Twee dagen nadat de Japanners zich hebben overgegeven spreekt Soekarno in Jakarta de proclamatie uit. En weer zijn we blij, want Indonesië zal onafhankelijk worden! Soekarno wordt niet alleen gesteund door de mensen op Java, maar ook door die op de Molukken. Op de Molukken krijgt Soekarno steun van Sarekat Ambon, een vereniging van jonge nationalisten – vaak scholieren – die in verschillende steden in Indonesië een afdeling hebben. Een van zijn ministers, Jo Leimena, is een Molukker. Een andere Molukker, ene Johannes – en dat weet niemand – is degene die de rood-witte vlag gemaakt heeft die gehesen wordt wanneer Soekarno zijn onafhankelijkheidsrede houdt’.

Van de Bersiap en de dekolonisatieoorlog merkt Oties weinig. Pas na eind 1949, wanneer Nederland officieel het gezag overdraagt aan Soekarno, krijgt hij te maken met gewapende strijd. Bij de soevereiniteitsoverdracht is afgesproken dat Indonesië een federale staat zal worden, met relatieve autonomie voor de deelstaten, waaronder het nieuw gevormde Oost-Indonesië waar ook de Molukken onder zullen vallen. Maar wanneer Soekarno toch een eenheidsstaat van Indonesië wil maken, roept Johanis Manuhutu als reactie daarop op 25 april 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS) uit. De veertienjarige Oties hoort zijn toespraak in de menigte aan en wordt als kindsoldaat gerekruteerd voor de RMS strijd. Enkele maanden later valt het Indonesische leger Ambon binnen en moet Oties vechten voor zijn leven.

Het zijn dit soort herinneringen die het ‘einde van Indië’  en de daarop volgende dekolonisatie in een breder perspectief plaatsen. Het laat wat mij betreft de kracht van meerstemmigheid zien. Waar voor de één de Japanse overgave een bevrijding betekende, zoals voor Oties, zo luidde diezelfde historische gebeurtenis voor een ander juist het begin van nog meer ellende in, zoals mijn eigen Indische familie. En waar voor de één het uitroepen van de onafhankelijke staat Indonesië een bekroning betekende op wat zij de ‘Indonesische revolutie’ noemden, zo luidde dat voor een ander het begin in van strijd, zoals voor Oties.

Door te luisteren naar al die verschillende perspectieven, oefenen we onszelf om voorbij onze eigen horizon te kijken en leren we inzien hoe multidimensionaal en meerlagig het verleden eigenlijk is. Pas als er oog is voor die meerstemmigheid, kan er ook een proces van heling, erkenning en verzoening op gang komen. Ik hoop dat het boek Antara Nusadaar, in al zijn onvolkomenheid, een bijdrage aan kan leveren.


Yvette Kopijn (1966) werd op Aruba geboren uit een Indische vader en een Nederlandse moeder en woont sinds haar vierde in Nederland. Als schrijver, onderzoeker en docent houdt ze zich al 20 jaar bezig met het verzamelen van levensverhalen van migrantenouderen, waaronder die van Indische Nederlanders. Dit artikel verscheen eerder op Indogo en in overleg ook op Republiek Allochtonië geplaatst.
 

Foto: Oties met met broers, neven en nichten in het familiehuis Air Salobar in Nussaniwe (Ambon)
 

Steun het Antara Nusa vertelproject

Dit vertelproject is een samenwerking tussen Yvette Kopijn (Stichting Zieraad), Hanoch Nahumury (Stichting Nusantara Amsterdam) en Armando Ello (HoezoIndo).Het  bestaat uit een boek, een serie filmpjes, een serie verhalensalons en een reizende tentoonstelling. Om het project te realiseren zijn de initiatiefnemers op zoek naar donaties. Meer hier


Meer over geschiedenis.

Delen:

Reageer