Beschouw Turkse islamitische organisaties niet als probleem, maar als bondgenoten!

In achtergronden door Ewoud Butter op 18-11-2014 | 14:00

Afgelopen vrijdag reageerde Thijl Sunier in een artikel op dit blog van redacteuren Ewoud Butter en Roemer van Oordt niet blij te zijn met de manier waarop minister Asscher in zijn brief aan de Kamer inhoud gaf aan de bevindingen uit het onderzoeksrapport dat hij samen met Nico Landman schreef over Turkse islamitische organisaties in Nederland. Gisteren gaven beide onderzoekers in onderstaand opiniestuk in NRC Handelsblad nogmaals glashelder aan zich daar niet in te kunnen vinden.

In de PvdA is een conflict uitgebroken dat vorige week culmineerde in het uit de partij zetten van twee Kamerleden van Turkse afkomst. Een van de aanleidingen is de brief die minister Asscher op 25 september naar de Kamer stuurde samen met een onderzoeksrapport over Turkse islamitische organisaties. Als auteurs van dat rapport vinden wij dat de minister met zijn brief geen recht doet aan onze bevindingen. We realiseren ons terdege dat wetenschappelijke diepgang, ambiguïteit en nuance zich vaak moeilijk verdragen met de hogedrukpan van de politiek, maar juist dan moet de complexiteit van de problematiek worden erkend en niet van tafel worden geveegd. We willen drie punten bespreken: het integratie-effect, waarden-consensus, en transparantie.

Wat is de invloed van islamitische organisaties op het integratieproces? Dit was de hoofdvraag van het literatuuronderzoek dat wij in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken hebben uitgevoerd. Het rapport heeft niet de resultaten opgeleverd die hij voor ogen had, stelde de minister in de brief vast. Naar onze mening hebben we echter wel degelijk een antwoord gegeven op de centrale onderzoeksvraag, maar dat antwoord is niet zwart-wit.

Wij hebben met behulp van het politicologische begrippenpaar ‘bonding’ en ‘bridging’ het integratie-effect van de organisaties geanalyseerd. ‘Bonding’ verwijst naar activiteiten gericht op de eigen gemeenschap, terwijl ‘bridging’ gaat om de verbinding met de omringende samenleving. Er bestaat een sterke onderlinge samenhang tussen deze beide typen activiteiten en wel op zo’n manier dat ze elkaar versterken. Turken zijn van alle voormalige migrantengemeenschappen het best georganiseerd, en ze participeren ook het meest intensief in de samenleving. Dat is niet toevallig, dat hangt met elkaar samen. Bonding en bridging sluiten elkaar dus niet uit; het is niet of/of. Turkse islamitische organisaties houden zich natuurlijk primair bezig met religieuze activiteiten. Dat is hun bestaansrecht. Gemeenschapsvorming en verbondenheid, ook met geestverwanten buiten Nederland hoort daarbij, maar dat gaat samen met een toenemende participatie aan de samenleving. In de bewuste brief verwijst de minister alleen naar het eerste type activiteiten en negeert dus de samenhang.

De eis dat islamitische organisaties een bijdrage dienen te leveren aan de integratie van Turkse Nederlanders is eigenlijk nogal merkwaardig. Het zijn religieuze organisaties die primair tot doel hebben een bepaalde religieuze overtuiging uit te dragen en daarnaar te leven. Zij doen dat binnen het kader van de grondwettelijk vastgelegde godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging. Het gaat niet om organisaties die met het oogmerk integratiebevordering zijn opgericht. Je vraagt ook niet aan de katholieke kerk of ze de integratie van het katholieke volksdeel bevorderen. Bovendien maakt de politieke beladenheid van het beleidsprincipe integratie het eigenlijk op voorhand heel moeilijk om die vraag te beantwoorden. Je zou je zelfs kunnen afvragen of de overheid zich hier niet bemoeit met iets waar ze grondwettelijk en met inachtneming van de scheiding van kerk en staat helemaal niets over kunnen zeggen.

Doen deze organisaties dingen die ongewenst zijn, of nog erger onwettelijk? En onderschrijven ze de kernwaarden van de Nederlandse samenleving? Dat was ook een van de vragen die moest worden beantwoord. Wij hebben vastgesteld dat er geen enkele reden bestaat om te veronderstellen dat er onwettige praktijken plaatsvinden. Bovendien biedt de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en geweten de mogelijkheid een manier van leven uit te dragen die anderen in de samenleving wellicht onwenselijk vinden. Als je die vrijheid hoog in het vaandel hebt staan, dan moet je ook accepteren dat de samenleving er pluriformer gaat uitzien en dat de wereld niet ophoudt bij de grenzen van Nederland.

De veelgehoorde stelling dat moslims er als collectief geheel afwijkende opvattingen op na houden en ‘de Nederlandse kernwaarden’ niet onderschrijven, doet geen recht aan de diversiteit onder moslims, maar suggereert ook dat daarover in de rest van de samenleving wel consensus bestaat. Dat lijkt ons een tamelijk ongefundeerde en onhoudbare veronderstelling. Door het begrip ‘parallelle gemeenschappen’ in een breder historisch perspectief te plaatsen hebben we duidelijk willen maken dat parallelliteit en diversiteit de basis vormen van een pluriforme en democratische samenleving en als een rode draad door de recente Nederlandse geschiedenis lopen. Dat heeft een specifieke politieke cultuur opgeleverd die vaak wordt geassocieerd met verzuiling, maar tegelijk ook breder is. Islamitische organisaties passen in die cultuur.

Een laatste punt betreft transparantie. De minister stelt in zijn brief dat wij een gebrek aan transparantie hebben geconstateerd. Dat ligt anders. We hebben naar literatuur verwezen waarin dit wordt gezegd, maar ook naar literatuur die deze stellingname bestrijdt. Wij hebben in de conclusies gepleit voor transparantie en wederkerigheid. Dat impliceert dat duidelijk moet zijn waar je voor staat en dat dit een belangrijke basis moet zijn voor onderhandelingen en overleg. Dat geldt voor beide partijen. De overheid meent kennelijk dat het daaraan ontbreekt bij islamitische organisaties, maar die organisaties vinden op hun beurt dat ook de overheid niet transparant is over haar intenties. Islamitische organisaties zijn een integraal onderdeel van de samenleving en hoeven hun aanwezigheid dus niet te rechtvaardigen. Dat verschaft hen rechten, plichten en verantwoordelijkheden, maar niet om te bewijzen dat ze hier mogen zijn. Juist in een tijd waarin radicalisering van jongeren velen zorgen baart en de gemoederen verhit, moeten islamitische organisaties als bondgenoten worden beschouwd en niet steeds als een probleem. Een open, transparante en vooral coöperatieve houding aan beide kanten is productiever dan de verdachtmakingen die nu het debat bepalen.

Antropoloog Thijl Sunier (VU) en islamoloog Nico Landman (UU) schreven in opdracht van Lodewijk Asscher het literatuuronderzoek 'Turkse islam. Actualisatie van kennis over Turkse religieuze stromingen en organisaties in Nederland'.

Dit artikel verscheen gisteren (17 november) als opniestuk in NRC Handelsblad en is in overleg met Thijl Sunier en Nico Landman ook op Republiek Allochtonië geplaatst.

 

Lees hier het blog van Ewoud Butter en Roemer van Oordt: een historisch perspectief van het debat over de integratie van Turkse Nederlanders

Meer over het debat over de integratie van Turkse Nederlanders op dit blog: hier

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook.  

 

Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook! 



 

 

 


Meer over asscher, ewoud butter, integratie, nico landman, onderzoek, parallelle samenlevingen, roemer van oordt, thijl sunier, trso's, turken, turkse nederlanders.

Delen:

Reageer